Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Sportiviteit

10 juni 2014


Beste Leike,

Filosofie, religie, kunst en sport.
Dat zijn volgens René Gude, onze denker des vaderlands, de pijlers waarop onze beschaving is gebouwd. Daarom bouwen we academies, tempel, stadions en theaters. Het zijn de plaatsen waarop je je basisvaardigheden in het sociale verkeer kunt oefenen. Verstand en inzicht train je in de academie, in het onderwijs.
Rechtvaardigheid en allerlei rituelen hangen samen met de religie, of zo je wilt, je wereldopvatting.
Sport is de plek om je moed te oefenen en je sportiviteit: je waardigheid bewaren bij winst of verlies.
Kunst tenslotte gaat over maathouden en kunnen omgaan met het afwijkende.

Mooi bouwwerkje he?

René ziet een sportificering van de samenleving. Van de vier peilers van het beschavingsoffensief lijkt de sport momenteel wel erg dominant. Sport in onlosmakelijk onderdeel van ieder nieuwsprogramma, scholen kies je op grond van scorelijstjes, de toekomst van je kind wordt door Cito gescoord, de beste oliebollen koop je op de Coolsingel volgens de lijstjeskrant bij uitstek, het AD.
En met deze inleiding kom ik terug op jouw verhaal over de Masterchefs. Want valt koken nu in het domein van de kunst? Van het ambachtelijk maken van heerlijke smaken die passen bij de lokale cultuur of de lokale oogst? Of is koken ook sport geworden zoals bij songfestivals en the Voice de muziek een wedstrijd is geworden? Iets waarbij je tweede kunt worden.
Uit jouw beschrijving begrijp ik dat je zowel in de USA als in Australië tweede kunt worden, maar dat de mate van sportiviteit verschilt. De Aussies die meedoen ook al heel belangrijk vinden en de Amerikanen die hoe dan ook willen winnen. Desnoods met (verbaal) geweld.

En daar wordt naar mijn gevoel een grens overschreden. Is sport of koken dan nog leuk in zichzelf, of gaat het alleen nog maar om de punten?
Bij voetbal heb ik laatste decennia gezien hoe sportiviteit als waarde geheel verdween achter de (commerciële) belangen van de winst. Sportiviteit een begrip wat je niet meer zoveel hoort, maar wat te maken heeft met tegen je verlies kunnen en waardig met tegenslagen omgaan.
“Voetbal is oorlog”, preekte Rinus Michels en hij droeg Barry Hulhoff (een zeldzame voetballer die zich voor politiek interesseerde en pacifist was) op om doorgebroken spelers onderuit te halen. Toen Barry weigerde (hij vond het onsportief) werd hij aan de kant gezet. Uiteindelijk zwichtte hij. Michels zag in dat een vrije trap tegen minder ernstig was dan een doorgebroken speler. De calculerende trainer. Volgens mij was dat het sleutelmoment dat een overtreding niet buiten de regels viel (spel stilleggen, foutje gemaakt, opnieuw beginnen), maar binnen de regels (als de scheids het ziet, jammer, maar vrije trap is minder erg dan op achterstand komen). Vanaf die paradigmawisseling werd het spel ruwer en onsportiever. Een elleboog in een gezicht kan als de scheids het maar niet ziet. Met een gestrekt been inschuiven op de enkel van de tegenstander kan een gele kaart kosten, maar als hun beste man geblesseerd het veld uit moet is dat het waard.
De volgende stap is dat ook supporters menen dat winnen belangrijker is dan meedoen en dat hun bijdrage kan liggen in het reduceren van supporters van de tegenpartij. Met alle middelen: vernedering, fysiek geweld, intimidatie en wat je zoal kunt verzinnen.
De sportificering leidt op een of andere manier tot afname van sportiviteit.

groet,  Jaap

Masterchef

3 juni 2014


Beste Jaap,

Gisteren keek ik naar Junior Masterchef Australia. Net als de volwassen variant een heel knap programma. De pret èn de spanning en strijdlust stralen ervan af. Die kinderen koken voor hun leven, en genieten er enorm van. Ze zijn blij voor elkaar als de ander wint. En enorm onder de indruk als blijkt dat ze hun taarten voor de minister president gebakken hebben (verrassing!).Als ze met hun bordje naar voren moeten, kijken ze nog even achterom naar hun duidelijk ontroerde ouders op de tribune (het is nog de voorronde hè, dan mogen de ouders er nog bij zijn). Maar het is bloedspannend en voor ‘t echie, want er krijgen maar 7 van de heel veel kinderen een schort.

Meteen na deze aflevering startte Masterchef USA. Was ik niet op bedacht. De voorrondes. Iiieeeuw! Wat een verschil! De heren Bastianich, Elliot en Ramsey kwamen op met veel glitter en geluid, maakten met veel vertoon van kracht en macht duidelijk dat zij 50 van de toprestaurants van de wereld hadden, en dat zij daarom altijd gelijk hadden in hun oordeel. Teksten als ‘jij bepaalt niet wat lekker is, dat bepalen wij’ en ‘wij bezitten toprestaurants dus wij hebben gelijk’ vlogen over de bühne. De kandidaten juichten, applaudisseerden en knikten. Veel machtsvertoon en powertalk. Oké, dat is opzet en show, dat hoort erbij. Kan ik nog doorheen kijken.

Toen kwam de selectie. Mensen werden beledigd, badinerend toegesproken, non-verbaal afgeserveerd. En de kandidaten smeekten om een kans, gingen op de knieën voor de jury. Hoe harder ze afgewezen of beledigd werden, hoe meer ze uit de kast trokken. Dat had niks meer met eten, koken en smaak te maken. Het was smakeloos (en dat bij een eetprogramma…).

Masterchef USA pakt in zijn opzet (zie eerdere jaargangen) uit als een competitief programma waar mensen ten koste van elkaar proberen te winnen. Je kunt niet uit die sfeer stappen, want dan ben je kwetsbaar. Masterchef Australia pakt uit (zowel in zijn volwassen  als kindervariant) als een competitief programma waarin kandidaten proberen te winnen met hun gerechten, maar het de ander gunnen als dat gerecht beter is.
Ook erkennen dat hun gerecht minder gelukt is, daar niet bozig van worden, maar zelf meekijken hoe ‘t anders en beter had gekund. Hier mag het goed gaan èn fout gaan.

Koken is wat dat betreft een mooi onderwerp. Het kan namelijk echt op iets heel kleins hartstikke mis gaan. Even niet opletten, net te veel van iets, net te weinig, net te kort, net te laat … Genadeloos mis! Daar kun je elkaar mee beconcurreren en je kunt ervan leren. Wat Masterchef Australia laat zien, is dat daar plezier over hebben, vele malen leuker is dan plezier hebben over het feit dat de fout van de ander jou voordeel oplevert.

Ik moest er aan denken toen ik vandaag op weg was naar een team waar het de gewoonte was geworden om in je werk volstrekt een eigen lijn te trekken, fouten te negeren of er een ander de schuld van te geven, en te schelden als iemand daar wat van zegt. De leidinggevende krijgt eenzelfde behandeling, of is de zondebok. Er is sprake van en vorm van negatieve competitie om te zorgen dat je incompetentie niet zichtbaar wordt. Niemand vind het er leuk, en iedereen is chagrijnig.

Wat zou ik daar graag zeggen: ‘Jongens, het wordt echt leuker als je een beetje aardig bent en plezier hebt.’ Althans ik zou zo graag willen dat het hielp. Maar ik vrees dat er de situatie is ontstaan, die je ook ziet ontstaan in Masterchef USA: je kunt niet meer terug, want dan ben je kwetsbaar in de wereld waar het recht van de sterkste geldt.

Positieve en stimulerende taal alleen is niet meer genoeg, werkt juist averechts. Ergens is de toon gezet. Je kunt dat niet met een nieuwe toon keren. Niemand zet immers de eerste stap. Dus ga ik stappen met ze zetten, kleine ervaringen dat de wereld leuker kan.

Misschien moet ik Gary, George en Matt van Masterchef Australia uitnodigen om te helpen en met het hele spul een potje gaan koken?

Ongevraagd adviseren

27 mei 2014


Beste Leike,

Waarom zou de klant, die echt beter weet hoe het werkt dan jij, zich iets aantrekken van jouw inhoudelijke meningen, is de vraag waarmee je eindigt.
Dat is natuurlijk wel en prikkelende vraag, want tja, wat weet ik ervan? Ik ben van vele markten, maar ben ik er dan ook thuis? Dan weer loop ik rond in de wetenschap, dan bij een woningcorporatie, de politie, een gemeente, de zakelijke dienstverlening, een actiegroep, een ziekenhuis of een school. Daar kan ik toch nooit inhoudelijk meer van weten dan mijn klant?
Klopt.
Ik weet ook niet meer, zeker niet beter, maar soms weet ik iets anders. Dan zie ik parallellen tussen sectoren of branches of zie ik managementtrends die logisch passen in een eenvoudige organisatie, maar die niet zullen lukken als het gecompliceerder wordt. Soms zie ik (en jij ook, dat weet ik) dat de aard van het primair proces nu eenmaal cultuurkenmerken meebrengt waarmee je moet leren leven. Als je bestuurder bent van een universiteit heb je nu eenmaal te maken met zeer eigenwijze en eigengereide types die niet zo snel onder de indruk zijn van jouw bestuurlijke ideeën. Die mensen werken nu juist daar omdat ze slim en eigenzinnig zijn; it comes with the job.
Als je brandweermensen wilt omvormen tot preventieve huisbezoekers met subtiele adviesvaardigheden stel je jezelf een opgave, die gezien de organisatiebevolking niet zo makkelijk zal zijn.
Je bent toch met me eens dat het strikt scheiden van vorm (proces) en inhoud (strategie) niet te doen en onverstandig is? Dat een proces moet passen bij de inhoud en omgekeerd dat de procesruimte niet alle inhoud toelaat?
Eigenlijk is mijn ervaring dat de meeste vraagstukken zich het beste over de band laten beantwoorden. Vraagstukken van teamsamenwerking hebben dikwijls te maken met de inhoudelijke puzzels die de samenwerking kleur geven en omgekeerd krijgen inhoudelijk strategische vraagstukken vaak een specifieke dynamiek door de wijze waarop de mensen in het team met elkaar omgaan.

Als docent in ons vakgebied heb ik jonge adviseurs altijd voorgehouden dat ongevraagde adviezen niet werken. De ‘geadviseerde’ zit niet te wachten op een onverwachte inbreng van een bemoeial; daar zijn er al genoeg van. Maar soms vind je als adviseur gewoon ergens iets van en wil je de ander niet jouw ‘voortreffelijke’ mening onthouden. Het is een beetje als met meerijden; het wordt niet altijd op prijs gesteld, maar als je een aanrijding kunt voorkomen is het misschien toch wel nuttig.
De kunst is daarom om ervoor te zorgen dat je advies gevraagd wordt. Dus stel ik vaak in een eerste gesprek met een klant aan de orde waarover hij mijn advies vraagt en wat we doen als ik ook iets vind van wat erbuiten ligt. Mijn ervaring is dat de klant dan toch ook niet wil dat ik daarover zwijg. Zo ontstaat de ruimte om in het onderwijs iets te zeggen over de inhoud van een curriculum, bij een woningcorporatie mee te praten over verhuurbaarheid of bij de politie over de aanpak van veelplegers. En als je nu maar enige bescheidenheid voelt en toont bij een inhoud die de ander beter kent, kan soms juist door de frisse blik een nieuwe kijk tot stand komen. En dan kan zo’n klant erg geholpen zijn met het voorkomen van die aanrijding.

Leuk onderwerp overigens, dat contracteren. Even vooraf iets vragen en er ontstaat bijna altijd ruimte om iets te zeggen. “Mag ik je even feedback geven?”, “Wil je horen wat me nu opvalt?” of “Zou je willen weten wat mij opvalt?”. De ander wordt vaak nieuwsgierig en stelt zich daarom open voor iets nieuws. Als het nu maar interessant is wat je te melden hebt, volgt meestal een interessante uitwisseling met meerwaarde voor beiden.

Groet, Jaap

Inhoudelijke bemoeizucht?

13 mei 2014


Beste Jaap,

Het is alweer enige tijd geleden dat ik een blogje maakte. Druk? Nou, nee, eigenlijk niet. Met name druk met veel dingen die zich anders in mijn ondertussen voordoen. Van die dingen die ineens de overhand nemen en hun aandacht opeisen.

En dus bleef een nieuwe brief aan jou even liggen.

Interessant thema, de vraag of je je ook op inhoud bemoeit met keuzes en handelen van de klant. Moeilijke vraag ook. Volgens mij spelen hier verschillende zaken een rol die een antwoord nog niet zo makkelijk maken.

Eerste punt is volgens mij wat je gecontracteerd hebt met je klant. Jij zegt dat je eigenlijk altijd wel de rol krijgt om je uit te spreken over zowel het wat en het hoe. Je stelt dat dat vanzelf lijkt te gaan, omdat de twee – inhoud en proces – onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Bij mij verschilt ‘t, afhankelijk van de rol die ik heb. Ik zorg er altijd voor dat de mensen met wie ik werk zich over die inhoud moeten uitspreken of er in ieder geval over na moeten denken. Maar dat wil niet zeggen dat ik mij over die inhoud uitspreek.
Als ‘t mijn rol niet is, dan vind ik dat niet zozeer mijn opvatting over hoe het hoort ertoe doet, maar dat t met name gaat over mijn vaardigheid om hun aannames over hoe het hoort bespreekbaar te maken.

Of je mee mag doen met het inhoudelijke gesprek, is volgens mij een kwestie van contractering. Voor mij is dan ook de vraag of jij niet anders contracteert met de klant. Of jij niet aan de voorkant, al is het dan impliciet, toch al wel overeenstemming hebt over dat jij je met het wat mag bemoeien.

De feitelijke rol die je hebt, maakt denk ik ook uit. Als je interimmanager bent, is het legitiem om ook inhoudelijke input te geven. Je bent immers onderdeel van de organisatie. Maar als adviseur mag je dat lang niet altijd.
Ik herken namelijk ook dat de klant lang niet altijd wil dat je je met de inhoud bemoeit. Omdat ze wat er moet veranderen al lang hebben bepaald. Ze zoeken nu iemand die hen helpen om dat voor elkaar te krijgen. Niet om nog een keer bevraagd te worden op hun inhoudelijke keuzes.

Als adviseurs hebben we zelf bijgedragen aan dat het zo werkt. Door steeds meer van het veranderproces te worden en steeds minder van de inhoud. Verandermanagement gaat al een tijdje niet of nauwelijks meer over het ‘ding’ organisatie, over WAT je verandert. Veranderen is naar de HOE geschoven: hoe communiceer je erover, hoe betrek je mensen, hoe krijg je draagvlak, hoe richtje het veranderproces in?

We positioneren ons als adviseurs meestal op deze manier. Sterker nog, je ziet bij veranderopleidingen nog steeds de wens om vooral bezig te zijn met proces en mensen, niet met het wat, het werk. Het heeft standing, als je je niet met het gewone werk hoeft bezig te houden.

Ik begrijp de verontwaardiging ook niet zo goed. Vind het een beetje een egodingetje. Hoezo ver-ont-waardiging? Omdat de waarde die jij belangrijk vindt niet omarmd wordt? Omdat je even niet gehoord wordt? Maak je jezelf en jouw mening dan niet een beetje te belangrijk? Wil je dan niet te veel bevestigd worden in je eigen zijn, op een moment dat t niet over jouw zijn maar dat van de ander gaat? Terwijl je je er zo lang op hebt laten voorstaan, als vakgebied, dat je daar niet van was?

Maar de belangrijkste vraag vind ik denk ik wat legitimeert dat je je met inhoudelijke aspecten bezig mag houden. Wat is de basis van waaruit je dat doet? Niet het werk van alle dag, waar je al zolang niet verbonden bent geweest. Je eigen, hoogstaande normen, waarden en opvattingen? Waarom zou die klant, die echt beter weet hoe het werk werkt dan jij, zich er iets van aantrekken?

Groet, leike

ver-ontwaarde-ging

28 april 2014


Beste Leike,

Ik was deze week op een denkdiner over waardenwerk op de Universiteit voor Humanistiek. Het ging over de rol van waarden in advieswerk. De bijeenkomst werd ingeleid door Hans Vermaak en Simen van der Goot. Het ging hen om het ingewikkelde spel dat een opdrachtgever je zelden vraagt voor je morele oordeel over zijn vraag of opdracht, maar dat je die soms wel hebt. Zij ontdekten van gevoelens van verontwaardiging erop wezen dat je eigen waarden aan de orde zijn of in de knel komen.
Ver-ontwaarde-ging. Ik had me dit nooit zo gerealiseerd, maar het woord is ook echt zo opgebouwd.
En inderdaad, soms voel ik ook verontwaardiging in mijn werk. Bijvoorbeeld als keuzes met nare effecten voor mensen slecht onderbouwd worden. Of wanneer er achteloos wordt gedaan over zaken die voor anderen heel belangrijk zijn. Blijkbaar zijn dan mijn waarden in het geding.
Napratend met Simen kwam ik ook nog op het woord ‘verwaardigen’. Als in ‘hij verwaardigt zich niet tot een gesprek met zijn buurman’. Behoorlijk het tegenovergestelde dus. Iemand die zich verwaardigt bepaalt zelf wat hij belangrijk genoeg vindt om zich mee bezig te houden, waar hij waarde aan toekent. Degene die verontwaardigd is, is geraakt door het gedrag van een ander. Degene die verwaardigt, staat daarboven; hij kent zelf waarden toe. Klinkt een stuk waardiger eigenlijk.
Waar zou dat in zitten? Is degene die zich verwaardigt ook niet een beetje onaanraakbaar, arrogant misschien. Omdat hij zelf wel uitmaakt of hij een praatje maakt met zijn buurman? Is degene die zich verwaardigt degene met de macht in de situatie? Terwijl de verontwaardigde zich vaak machteloosheid voelt omdat zijn waarden in de knel komen en daar lang niet altijd wat aan te doen is?

Interessant was nog wel dat veel adviseurs (zo bleek die avond) het idee hadden dat ze wel voor het ‘hoe’, maar niet voor het ‘wat’ gevraagd werden door hun opdrachtgevers.
Daardoor bestond voor hen het probleem dat ze niks van het wat durfden te zeggen terwijl ze er zoveel van vonden.
Ik herkende dat eigenlijk niet zo. Mijn opdrachtgevers vragen me ook vaak vooral bij de methodische of veranderkundige kant (hoe), maar op een of andere manier spreek ik me ook wel uit over de richting of het doel dat de opdrachtgever wil bereiken. Al is het maar omdat een omstreden of niet erg realistisch doel uiteindelijk ook jezelf veel schade kan berokkenen. Maar ook omdat ik zo’n onderscheid altijd kunstmatig vind. Doel en middel (wat en hoe) hangen toch met elkaar samen? Hoe is dat voor jou? Bemoei jij je met de bedoelingen van je opdrachtgever?

groet, Jaap

Passie …?

20 april 2014


Beste Jaap,

Hebben we de passiespelen in het kader van Pasen net gehad, wil ik het toch nog even hebben over ons favoriete allergiewoord: passie. Deze week waren er op de radio twee prachtige voorbeelden van hoe ingewikkeld de combinatie van passie en werk eigenlijk is.

Toine Manders, een Europese politicus die vertrekt bij de VVD, stelt zich beschikbaar voor een ouderenpartij. Het werd niet helemaal duidelijk of het nou opportunisme was, of dat hij zich echt niet meer kon vinden in de standpunten van de VVD. Dus stelde de interviewer de vraag of het eigenlijk geen ‘overlopen’ was, wat hij deed. Daarop bepleitte Manders dat hij zo’n passie had voor het politieke vak, dat een zetel aanvaarden in een andere partij heel logisch was.

Geen passie voor politieke stand- en uitgangspunten dus, maar voor een functie. Een bijzondere verschuiving. In de politiek wordt passie toch het meest gekoppeld aan de inhoudelijke en politieke standpunten waar je je meer verbindt. Maar deze man verbond het met de functie van volksvertegenwoordiger. Opportunisme, of echte passie?

Wat verderop in de week hoorde ik Johan Derksen. Hij gaat een muziekprogramma presenteren. Muziek was zijn echte passie. Presentator verwonderd natuurlijk, want hij was toch van voetbal? Dat was toch zijn passie? Daar was hij elke dag mee bezig en daar wist hij alles van! Maar voor Derksen zat dat anders. Van voetbal wist hij namelijk al zoveel dat het gewoon werk was, en dat was geen passie. Of nou ja, voetbal was wel een heel leuk spelletje, maar dat wist hij nou wel, dat deed hij elke dag.

Ingewikkeld ding, dat passie. Het is dus belangrijk voor je werk, het is een functie-vereiste aan het worden en in je loopbaan moet je gaan voor je passie. Maar Je kunt passie ook gebruiken als verklaring voor een loopbaanstap. En als je je passie hebt gevonden … dan wordt het weer gewoon werk …

Groet, Leike

Power to the people (John Lennon)

4 april 2014


Beste Leike,

Ja, macht. Op een of andere manier hebben we het er vaak over samen. Al is het maar omdat zoveel van onze vakgenoten het vaak verbloemen of proberen weg te denken. Veranderaanpakken waarin we vooral alle mooie dingen benoemen (appreciative inquiry) of waarin we bottom up proberen met heel veel samen tot nieuwe dingen te komen. Bottom up omdat het lijkt om minder machtsgebruik dan bij top down. Grappig he, dat juist zo’n redenering een machtsredenering is.
In een gesprek over het taboekarakter van macht zag ik laatst opeens een interessant fenomeen. Onze Nederlandse taal.
Waarom zijn de meeste pop- en rocksongs in het Engels? Ik weet nog goed dat –ongeveer tot aan Doe Maar- bijna iedereen ervan overtuigd was dat het Nederlands zich gewoon niet leende voor popmuziek. Het klonk te hoekig, te plat, te gewoon. Het Engels heeft een veel grotere vocabulaire en –misschien wel omdat niet iedereen alles verstaat- klinkt het poëtischer en minder direct.

Dus stelde ik voor om in ons gesprek het woord ‘macht’ in te wisselen voor ‘power’. En opeens werd het een ander gesprek. Tegen power had niemand een bezwaar. Power bleek helemaal niet vervuild met ‘abuse’ zoals bij men bij ons bij macht direct denkt aan machtsmisbruik. Power is eigenlijk best wel fijn om te hebben en ook nodig om dingen voor elkaar te krijgen. Power komt ook gewoon uit het stopcontact en al onze apparaten hebben een knop waarmee je de power kunt bedienen. Power is veel neutraler dan macht.
Mijn voorstel is daarom om de komende tijd maar eens te praten over power in organisaties, over power in onze samenwerking, over de power van interventies en de power van onze adviezen. Is dat wat?
Doen we dat tot de zomer en dan kijken wat het Sioo-congres van 18 juni over veranderkracht oplevert. Verandermacht? Veranderpower?

Groet, Jaap

Macht en samenwerking

31 maart 2014


Beste Jaap,

Wat heerlijk hè, dat je weer zonder jas naar buiten kunt en dat er beestjes in je mond vliegen als je op de fiets zit? Lente is echt begonnen!

Het mooie weer houdt aan, en ik mag twee dagen voor SIOO in een In de Wind-zeevaartschool aan de slag met het onderwerp macht en beïnvloeding. Twee dagen werken met gemotiveerde en leergierige mensen die met mij een fascinatie voor organisaties en veranderen delen. Altijd leuk.
En helemaal leuk als het over macht gaat, want dat blijft een fascinerend en ingewikkeld onderwerp.
Het is er, maar als je het bespreekbaar maakt, duikt het onder. Wat rest is rationele taal. Je hebt het nodig, maar we vinden het ook een beetje viezig. Want er kleeft van alles aan wat we niet zo hoogstaand vinden.
En dus bedenken we er allemaal eufemismen om te zorgen dat het iets wordt waar je het wel over kunt hebben: invloed, gezag, impact, authenticiteit …
Jij wijdde volgens mij al eens een blogje aan dit fenomeen.

Dit keer neem ik ook maar eens boeken over samenwerking mee naar die twee dagen. Want samenwerking, dat is het nieuwe eufemisme voor macht. Zwart is het nieuwe wit, zeg maar.
Het fenomeen doet zich met name voor in al die nieuwe organisatievormen die aan het ontstaan zijn als ketensamenwerking, allianties en netwerkorganisaties. Op zich al moeilijk pakbare dingen. Want hoe werken ze in vredesnaam? En er is niet één iemand de baas van. Dus wordt gezocht naar hoe de samenwerking te organiseren.
Samenwerking? Ja, vast ook. Maar heel vaak wordt impliciet bedoeld hoe te komen tot nieuwe machtsverhoudingen. Het gaat immers over wie waarover wat te zeggen heeft? Wie krijgt invloed? Wie krijgt middelen? Da’s andere koek dan samenwerking.
Ik denk dat één van de redenen dat samenwerking in dat soort nieuwe verbanden zo lastig te organiseren is, te maken heeft met dat macht geen expliciet onderwerp van gesprek mag zijn. Terwijl het er in de wandelgangen over gonst! Want je huidige macht is gevat in de huidige organisaties, en krijgt vorm langs de uitgekristalliseerde lijnen van wat er al is. En dat geef je niet zomaar op, maar wil je wel graag benutten om positie te verwerven. Dus onder al die samenwerkingsissues golft de macht mee.

Wat mij betreft worden het boeiende dagen. Ik ben benieuwd!

Groet, Leike

Wat is echt?

17 maart 2014


Beste Jaap,

 

En toen bleek dat mooie filmpje van jou reclame.

Ik ben het met je eens dat het interessant is om van tijd tot tijd met elkaar uit patronen te breken en ongemakkelijke en onbeholpen dingen te doen. Om uit te proberen en daarvan te leren. Zijn wij veranderaars ook dol op, maar het is zo moeilijk en het lukt maar zelden. En volgens mij is één van de redenen precies datgene waarom het filmpje zo teleurstelt: de uitnodiging om dat te doen blijkt niet echt.

 

De mensen in het filmpje spelen dat ze onbeholpen en ongemakkelijk zijn. Het is niet voor het echie. Het zijn acteurs die de consequentie van wat er gebeurt naast zich neer kunnen leggen. Zij hebben geen ‘skin in the game’. Er zitten geen consequenties voor hen aan vast.

En is dat niet heel vaak bij wat we zien? Of bij wat we zelf zeggen en doen?

Ik merk dat ik echt de weg kwijt kan raken in alle communicatielagen waarin intenties en bedoelingen meer bedoeld zijn voor de ander dan voor de spreker zelf. Die iets over de bühne moeten brengen waardoor mensen geïnvolveerd raken, maar die niet noodzakelijkerwijs betekenen dat de brenger van de boodschap ook geïnvolveerd is. Wat is nog echt?

 

Neem nou de politiek. Interviews, debatten, reacties; alles is vooraf besproken en ingestudeerd. De toon van de boodschap moet zo zijn dat het de kiezer bereikt. Wat ik zie en hoor is een wel-georkestreerd optreden, met de bedoeling om mij te beïnvloeden.

Dus doen politieke partijen nu stevige uitspraken over wat ze allemaal gaan doen, en met wie ze wel en niet willen regeren. Omdat ze mij als kiezer willen. Niet omdat ze zich per se gaan houden aan wat ze zeggen. Vind je het gek dat kiezers daarna teleurgesteld raken als tijdens de onderhandeling water bij de wijn gedaan wordt, omdat samenwerken nu eenmaal geven en nemen is?

 

Of neem aandelen. Rare dingen die vaak de waarde van gebakken lucht vertegenwoordigen, in plaats van de meerwaarde die ontstaan is tijdens een productieproces. De waarde van aandelen moet het hebben van een goed verhaal. Van iets waar ik in kan geloven. Daarmee zijn aandelen risicovol. Maar er verdwijnt wel echt geld, als het verhaal implodeert. Vind je het gek, dat mensen daar kwaad van worden?

 

En dan heb ik het nog niet over al die situaties waarin ik er als kijker/lezer zelf al vanuit ga dat het wel niet zal zijn wat ik zie of hoor. Of het nou gaat over Strauss-Kahn, Badr Hari, de moord op Els Borst, de plannen van het kabinet, de duurzame voornemens van mijn energiemaatschappij, of de laatste fitty rond iets wat Wilders gezegd heeft. Als kijker/lezer probeer ik het te begrijpen, niet alleen door het te lezen, maar door het te interpreteren in termen van de bedoelingen van de ander.

 

En dat zie ik ook in organisatieverandering. Hoe vaak maken we het mooier, omdat we willen dat mensen geïnspireerd en geïnvolveerd raken en mee willen doen? En hoe vaak lijkt zo’n verandering niet op een politieke onderhandeling: beetje rommelig en er komt niet uit wat je belooft. De cynische opmerkingen over dat iets al lang besloten is, en dat het dus schijn is dat je mee mag praten? Dat zijn mensen die al vanzelfsprekend ervan uitgaan dat er een wereld achter de getoonde wereld is. En vaak terecht, want die wereld is er.

Zou jij je dan kwetsbaar, onbeholpen en ongemakkelijk opstellen? Nee dus. Je kijkt wel uit. Straks ben je de enige, want de andere kant heeft je gewoon een mooi filmpje laten zien …

 

Groet,

Leike

PS: ik geloof dat de Zweden waardoor je in een van je vorige blogjes geïnspireerd geraakt was, niet langer iconisch zijn. Ze ‘hebben het allemaal’, zeggen ze nu …

 

De kus die tot verandering leidt

14 maart 2014


Beste Leike,

Ik zag zo’n mooi filmpje op Youtube. Wildvreemde mensen werden gevraagd elkaar voor het eerst te zoenen. En dat werd heel mooi in zwart-wit gefilmd.
Misschien moet je er eerst maar even naar kijken…..(klik hier)

Wat ik nu zo mooi vind is hoe al die mensen zo mooi schuchter zijn, hoe ze hun dagelijks pantser afleggen. Die kwetsbaarheid.
Niet zo gek ook. Voor het eerst zoenen is al bijzonder spannend, maar dan ook nog met een volslagen vreemde en met een camera erbij.
En dan die beelden van na de zoen. Die onwennigheid, waar laat je je handen? Wat heb je eigenlijk nu voor een relatie? Je ziet dat sommigen al weer klaar staan om met een soort ‘Nice to meet you’ een hand te geven om te vertrekken terwijl andere stellen de smaak te pakken lijken te hebben gekregen. Een gearrangeerde instant verliefdheid.
Wat ik leuk vind is dat deze mensen bereid zijn iets te proberen dat wel heel ongebruikelijk is, zoenen met een onbekende. En niet na een avond dansen of drinken of andere uitspatting (daar zien ze helemaal niet naar uit), maar gewoon om te kijken wat er eigenlijk gebeurt. En als ik ze zo zie, hebben ze er geen spijt van.

Kunnen we hier nou iets van leren voor ons werk, voor het veranderen van gedrag van mensen in organisaties? Kunnen we situaties arrangeren waardoor mensen kunnen oefenen met het onbekende, zodanig dat ze even vrijmoedig hun defensies afleggen en iets proberen dat ze nooit eerder hebben gedaan? Dat ze echt hun grenzen in onbevangenheid proberen te verleggen. Met name die open giechelende houding, die verstandhouding van samen kwetsbaar vond ik zo mooi.
Je kent die oefening wel: de ijzeren wet van de verandering. Verdeel de groep in tweeën, zet mensen tegenover elkaar, en vraag ze elkaar eerst aan te kijken en daarna zich om te draaien. Als ze omgedraaid zijn vraag je ze vijf dingen aan zichzelf te veranderen. Dan draaien ze zich weer om en moeten van elkaar benoemen wat ze veranderd hebben. Daarna vraag je ze zich weer om te draaien en nu vijftien dingen te veranderen aan zichzelf. De reactie is steevast protest: zoveel kunnen we niet veranderen. Maar als je aandringt en mensen gaan het proberen, dan komen ze heel ver en moeten ze ook echt creatief worden. De sfeer lijkt wat op de zoenopdracht: het hoort niet, het kan eigenlijk niet, het is dus spannend en het leidt tot een soort uitgelaten, bevrijdend gevoel van grenzen verleggen.
Zouden we dat niet veel vaker moeten doen?

Groet, Jaap

Organisatievragen