Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Voor of tegen?

1 maart 2015


Beste Jaap,

Ik roei een beetje tegen de algemene opinie in, maar ik kan erg meevoelen met de bestuurders die nu zo onder druk staan bij de UvA.
Niet omdat ik ‘t niet eens ben met de studenten. Ik deel hun boosheid over wat er gebeurt. Ook niet omdat ze bezetting als middel kiezen. Dat vind ik wel geestig, goed gekozen. En ook niet omdat ze een beetje doorschieten in hun niet-democratisch geëist democratisch bestuur. Kortom ik ben het eens met de zaak waar ze voor vechten en ik kan het middel waarderen.

Maar dat betekent nog niet dat ik het met de bestuurders oneens ben. Waarschijnlijk hebben ze al heel lang geprobeerd om bezuinigingen af te wentelen, alternatieven te bedenken en te zoeken hoe je pijn en schade zo klein mogelijk maakt. En ze zijn er niet voldoende in geslaagd. Hebben pijnlijke beslissingen moeten nemen. Hebben ze moeten uitleggen en verdedigen. En ze snappen dat wat de studenten willen niet kan.
Ze proberen redelijk in gesprek te gaan met studenten (dit is Nederland!), maar je kunt niet redelijk in gesprek gaan met mensen die vechten voor een zaak. Niet vanuit de wereld waar ze tegen vechten. Wat een nare positie!
Let op, ik heb ook geen medelijden met ze. Daar krijgen ze nou die salarisschalen extra voor. Het lullige is dat ze iets moeten proberen wat niet werkt, terwijl ze het niet-niet kunnen proberen. Beide komt ze op hoon te staan in de media.
Media die met graagte de machteloosheid van de bestuurder uitvergroot als onredelijkheid en onbegrip.

In ons vak zie ik het ook zo vaak. Het is mooier, leuker en spannender om je met de underdog of de vernieuwer die (nog) geen poot aan de grond krijgt te afficheren. Dat maakt jou ook een beetje nobel, idealistisch, vernieuwend. Maar als je niet oppast maakt ‘t je kortzichtig en draag je eerder bij aan ‘t probleem in plaats van ‘t op te lossen. Dan kan waar je voor staat nog zo mooi zijn, bijdragen aan de realisatie doe je niet.
Ik kijk dan ook met groot respect naar Van der Laan. Wat kan die man goed laten zien waar hij staat ?n begrip opbrengen voor de andere partij, grenzen trekken ?n ruimte bieden. Die vorm van meerpartijdigheid en het vermogen om tegenstellingen te overbruggen juist door ze te erkennen … daar zouden we er meer van moeten hebben. Aan beide zijden van ‘t spectrum …

Groet, Leike

Zekers te weten!

16 februari 2015


Beste Leike,

Je zou dus wel meer ideologische, richtinggevende en visionaire verhalen willen zien, maar dan graag gekoppeld aan daden. Dat snap ik; een verhaal wint aan kracht, geloofwaardigheid en toetsbaarheid als het meer is dan woorden, als het gestalte krijgt in wat iemand doet. Sterker nog, wat iemand doet is een veel krachtiger boodschap dan de tekst die wordt uitgesproken of opgeschreven.

Daarom is voorbeeldgedrag ook zo essentieel als je anderen mee wilt krijgen.

Nu vind ik dat een van de ingewikkeldheden hierbij is dat het handelen van managers, politici, leiders, of hoe je ze ook zou willen noemen ook in taal verschijnt. Of eenvoudiger gezegd, de taal van de manager = zijn handelen. En voor je het weet verwar je spreken en handelen.

De timmerman kan spreken over een tafel en hij kan eraan kan schaven of zagen. We zien duidelijk het verschil. Maar als een manager spreekt met een medewerker is niet helemaal duidelijk of hij nu aan het werk is (schaven en zagen) of alleen maar commentaar levert (spreken over de tafel).

Je zou dus een onderscheid kunnen maken tussen handelend spreken en becommentariërend of oordeelvormend spreken. Het eerst is actie of leidt ertoe en het tweede is gericht op beter begrijpen en tot oordelen komen. En beide zijn nuttig.

Het oordeelvormend spreken is nuttig bij het onderzoeken van dingen. Je weet nog niet precies wat je van een kwestie vindt en je toetst bij je gesprekspartners wat zij ervan vinden en zo scherp je je eigen gedachten. Het is dan overigens wel productief dat je niet eindeloos blijft doorgaan met het scherpen van je gedachten, maar op enig moment tot handelen overgaat. Dan ga je over tot handelend spreken; je neemt een besluit of zet iets in gang. We kennen allebei managers of zelfs hele organisaties die kunnen blijven ronddolen in de oordeelsvorming, de nuanceringen en de perspectiefwisselingen. Intellectueel reuze leuk, maar analysis paralysis, uiteindelijk doodvermoeiend en machteloos.

Maar dan die andere kant, de kant van het handelend spreken. Daar waar de taal actie is of tot actie leidt. Heel erg nuttig en productief. Hier komt iets tot stand. Maar ook deze manier van praten kan doorschieten. Het is ook de taal van ‘zekers te weten’, de kant van de ‘krachtige leiders’, die van “waar is de knoop, dan hak ik hem door?”.

De behoefte aan een dergelijk type leiderschap ontstaat vermoed ik vanuit het ongeduld met trage oordeelsvorming bij complexe vragen. Maar dit soort besluitvaardigheid leidt ook gemakkelijk tot doorschieten in versimpeling en oppervlakkigheid. En tot dadendrang zonder diepgang. De handeldrift waarin door veel stoere besluiten ook veel stuk gemaakt wordt.

De kunst is dus om beiden te kunnen, kunnen stilstaan, reflecteren, onderzoeken en kunnen handelen, besluiten, poetsen. En dat dan in een goede onderling verhouding zodat visie ook handen en voeten krijgt. Het is goed om knopen te kunnen doorhakken, maar sommige kun je beter ontwarren. Dan kan je het touw nog eens gebruiken.

Groet, Jaap

Antwoorden?

8 februari 2015


Beste Jaap,

Antwoorden geven op de vragen van onze tijd. Ik zou het niet durven. Over dat soort zekerheden beschik ik niet. Het is dus waarschijnlijk ook niet voor niets dat we bij pragmatiek uitkomen in Onderweg. Maar pragmatisch zou ik niet opportunistisch willen noemen.

Ik vind het alles behalve opportunistisch. Het helpt juist om de boel bij elkaar te houden als al te grote antwoorden de boel uit elkaar dreigen te drijven. Als er weer eens wat gebeurt dat het islamdebat of het allochtonendebat op scherp zet, merk ik dat ik blij ben dat – hoe groot de woorden ook zijn die gebruikt worden om moord en brand te schreeuwen over wat er gebeurt – er geluiden zijn over hoe in het klein voorkomen wordt dat iets uit de hand loopt. De bewoners van de Schilderwijk die afstand nemen van de schreeuwende partijen die er willen komen protesteren. Burgemeesters die een pleidooi houden om niet te grote maatregelen te nemen en je niet bang te laten maken. Buurtbewoners die in het nieuws komen met voorbeelden hoe zij zorgen dat allochtoon en autochtoon niet uit elkaar gedreven raken. Kinderen die vertellen dat ze op school met elkaar van de juf en de meester moeten praten in plaats van vechten.
Hele kleine, pragmatische oplossingen die ervoor zorgen dat onze maatschappij niet uit elkaar geslagen raakt door schreeuwende partijen die op grond van hun idealen allebei vinden dat ze het gelijk aan hun kant hebben. We hebben die pragmatiek juist nodig om ons te weren tegen al te disruptieve idealen. Omdat we weten dat die niet werken, omdat ze te groot zijn, te extreem, te hard.

Natuurlijk, pragmatiek alleen heeft ook zijn ingewikkelde kant. Dat wat werkt raakt opgesloten in zichzelf als je het niet van tijd tot tijd uitdaagt en ter discussie stelt. We hebben de Pikettys van deze wereld nodig om iets zichtbaar te maken wat in de praktijk van alle dag onzichtbaar was. Om twee redenen: het is pragmatisch ingesponnen geraakt, en het is goed om je bewust te worden van waar je je niet (meer) bewust van bent. Maar ook om ons te wijzen op de bijeffecten van -al dan niet ideologische – oplossingen. Wat Piketty doet, is zichtbaar maken dat idealen in de praktijk anders uitpakken dan bedacht. Dat grote oplossingen pragmatisch anders uitwerken dan gedacht.

Je hebt niet alleen ideologische en krachtige antwoorden op de vraagstukken van vandaag nodig. Je hebt ook de pragmatische kracht nodig om de verandering die er nodig zijn te bewerkstelligen. In ons boek doen we handreikingen van hoe van idealen naar praktijk te komen. Waar heb je – prudent – geweld nodig om dat wat ingesponnen raakt, open te maken? Hoe zorg je dat iets zich niet te snel pragmatisch sluit, dat nieuwe impulsen worden meegenomen? Dat los je niet op met alleen – nieuwe – grote woorden, maar juist door de betekenis van grote woorden praktisch en doorleefd te laten worden. En alert te zijn op hoe je antwoorden in het echt uitpakken. Stacey benadrukt dat de waarden die achter idealen en ambities zitten, niet gefunctionaliseerd zijn. Het zijn woorden, nog geen daden. Pragmatiek maakt van grote woorden werkbare daden.
Antwoorden op grote vragen, kunnen zelden eenduidig worden opgelost. Je hebt veel variatie nodig om het werkbaar te krijgen. En je hebt dus pragmatiek nodig om dat voor elkaar te krijgen.

Vind ik dan dat je helemaal niks hebt aan visies, idealen, richtinggevende concepten? Integendeel! Ook ik zou wel meer ideologische veren willen zien in plaats van al die opportunistische ad hoc-politiek. Maar ik wil ze vooral gekoppeld zien aan daden. Want je kunt nog zo zeker zijn over de antwoorden op de grote vragen, je zult pragmatisch onderzoekend moeten zijn naar hoe je de antwoorden realiseert. En dat weet ik dan weer zeker!

Groet,
Leike

Pragmatische idealen

29 januari 2015


Beste Leike,

Het is al weer drie weken geleden dat we ons derde boek te doop hielden. Inmiddels zijn er een paar filmpjes verschenen over het evenement en staat een eerste interview op overmanagement.nl.
Leuk is ook dat nu de eerste reacties van lezers binnenkomen. Gelukkig allemaal positief, het lijkt erop dat het boek niet alleen mooi is vormgegeven, maar dat ook de inhoud aanslaat bij onze lezers.
Iemand sprak met wel aan op dat pragmatisme van ons. Het hele boek vertrekt uit de dagelijkse realiteit in organisaties, en onze veranderbenadering wortelt vooral in dat wat werkt. Bewust blijven we weg uit de wereld van de dromen, de grote verhalen, de vergezichten en Olympische hoogten.
Dat pragmatisme sluit ook aan bij de lezers, denk ik, juist omdat management en veranderen uiteindelijk vooral gaat om de vraag of het ook werkt, of het de slag kan maken van nieuwe taal naar daadwerkelijk nieuw gedrag.
Maar die persoon die ik sprak, was juist daar kritisch over. Hij vond het wat te opportunistisch, te weinig toekomstgericht, onvoldoende een antwoord op de vragen van deze tijd. En dat vind ik een interessant punt. Geeft dat pragmatisme van ons nu ook een antwoord op deze grote vragen?

Hij heeft natuurlijk een punt:
Sinds het postmodernisme in zwang raakte hebben we afscheid genomen van de ‘grote verhalen’. De religie is op zijn retour, het socialisme heeft met Wim Kok zijn ideologische veren afgeschud en de ‘pragmatici’ van d’66 groeien en schudden hun kroonjuwelen af als het niet erg lukt om ze te verwezenlijken. Politieke partijen verliezen hun leden en opereren op de ‘kiezersmarkt’; zij hebben geen beginselen maar een kiezerspotentieel. De peilingen lijken soms een sterker richtsnoer dan de idealen. Zweven de kiezers of zweven de partijen eigenlijk?
Solidariteit is iets van vroeger en je identiteit hangt niet meer samen met je familie of dorp, maar met het aantal likes op Facebook. De ‘waarheid’ van het journaal maakt steeds meer plaats voor je eigen nieuwsniche op internet. Google verwijst je naar wat je al dacht. We individualiseren tegen te klippen op: ieder zijn eigen verhaal. Het lijkt alsof we in allemaal roeibootjes tegen elkaar opklotsen zonder verbinding, zonder richting, zonder dukdalf om aan vast te maken.
Ik vind het niet gek dat degenen die de kwijt raken, zich aansluiten bij een stroming met vaste waarden en zekerheden. Waarin in een oud boek staat wat goed is en wat fout, waar boekuitleggers precieze aanwijzingen geven over wat te eten en hoe je dient te leven. Dat het veiligheid biedt om je te verbinden met anderen met dezelfde rotsvaste overtuiging. Dat het zelfs veiligheid biedt om het gevaar op te zoeken, je hebt immers verschrikkelijk gelijk.
Deze lieden zijn alles behalve pragmatisch, wat hen verbindt is een eeuwenoude ideologie, de kracht van een groot verhaal, de kracht van echt ergens bijhoren, een antwoord op de onverschilligheid en de waardering van je geloofsgenoten. Zo’n krachtige ideologie is een gat in de markt (sprak de pragmaticus).

Ik zou daarom hopen dat de PvdA weer eens ideologische veren zou aantrekken en Piketty niet laat passeren als een gril. Dat D’66 echt ten strijde zou trekken tegen de groeiende macht van Google en Facebook (zie ‘de Cirkel’ van Dave Eggers) en dat GroenLinks veel steviger en strijdvaardiger inzet op de toekomst van onze planeet. Ik zou willen dat politici zich niet langer als managers zouden gedragen. Maar als dragers van een echte visie, met een beeld van een gewenste toekomst, niet alleen een visie op de dagelijkse waan en de komende formatie. We hebben meer richtinggevende visies en idealen nodig.
Maar je wilt ook dat die idealen uitmonden in iets dat werkt. Dus blijft het pragmatisme belangrijk. Het geeft geen antwoord op de grote vragen. Maar het helpt enorm bij de kleine, dagelijkse opgaven. En de meeste lange reizen beginnen met de eerste stap.

Groet, Jaap

Disclaimer

4 januari 2015


Via deze website stellen wij informatie beschikbaar over Organisatievragen. Wij besteden zorg aan de juistheid van deze informatie. Onjuistheden kunnen echter voorkomen. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor schade als gevolg van onjuistheid of onvolledigheid in de verstrekte informatie.

Privacy statement
Wij respecteren de privacy van jou als bezoeker van onze website en zullen informatie die je ons via deze website stuurt vertrouwelijk behandelen. Jouw gegevens zullen enkel worden gebruikt om je informatie te sturen of contact met je op te nemen. Jouw gegevens zullen nooit aan derden worden verstrekt.

Informatie over je bezoek zal enkel worden gebruikt ter analyse en verbetering van onze website. Ook informatie die je eventueel achterlaat zal enkel gebruikt worden ter verbetering van onze site en dienstverlening.

Haast?

21 december 2014


Beste Leike,

Breek me de bek niet open. De keren dat ik te maken krijg met onhaalbare planningen zijn nauwelijks te tellen.  Tijd om even stil te staan bij wat dit nu eigenlijk voor vraagstuk is of waar het vandaan komt, is er vaak niet. Tijd om een beetje een zorgvuldig proces in te richten blijkt vaak al verlopen voor je erbij werd gehaald. Heel bijzonder. En vaak ook behoorlijk onzorgvuldig.

Ik vraag me af waar dat nou vandaan komt. Gaat de tijd gewoon sneller omdat wij ouder worden (zoals Douwe Draaisma zo mooi beschrijft). Gaat de kloktijd van de geschiedenis sneller doordat we real time weten wat er elders gebeurt en we dus ook sneller kunnen reageren? Komt het door de snelheid van de e-mail en alle elektronische media waardoor instant-antwoorden de norm worden? En laten we steeds meer aan de markt over waardoor concurrentie en rat-race ook voor de publieke zaak de norm worden? Is tijd immers niet een van de belangrijkste concurrentiefactoren geworden (“vandaag besteld, morgen in huis”). Worden we gewoon ongeduldiger?

Haast lijkt de norm te zijn geworden.

Het fijne van het woord ‘haast’ is dat het soms de vinger op de zere plek legt en tegelijk laat weten dat deze spoed zelden goed is. Heel anders dan het woord ‘urgentie’: een begrip dat juist in managementland heel erg adequaat klinkt. “Fijn, men voelt de urgentie!”.  John Kotter heeft het ongeveer tot het middelpunt van zijn verandertheorie gemaakt. Het is leuk om te googelen op management en urgentie (urgentie=goed) en management en haast. Bij de laatste komt al snel stress om de hoek kijken, iets wat je niet wilt.

Urgentie klinkt goed dus, maar is ook te relativeren. Ten opzichte van belangrijk bijvoorbeeld. Dwight D. Eisenhower, de generaal en latere president van de VS, ontwierp ooit een eenvoudige matrix waarin hij belangrijke zaken onderscheidde van urgente. Zijn idee is dat wat urgent is, niet altijd ook belangrijk is, en dat als je steeds de urgente dingen doet, je mogelijk niet meer aan de belangrijke dingen toekomt.  Ik gebruik wel eens als voorbeeld dat je eigen professionele ontwikkeling zelden urgent is, maar wel heel belangrijk. De telefoon opnemen (met een onbekend nummer) voelt daarentegen vaak behoorlijk urgent, maar van het belang weet je nog niks als je er wel al je tijd in stopt..

Nu is onthaasten vaak ook niet zo simpel. Niet alleen managers lijken altijd haast te hebben, ook medewerkers “willen nu wel eens weten waar ze aan toe zijn”. De onbekendheid met de toekomst wordt hetzelfde als onzekerheid daarover en dat wordt weer gelijkgesteld met onzekerheid over het eigen bestaan.  Met de bekende paradox of het heel snel kan, heel zorgvuldig en met heel veel betrokkenheid van hen die zekerheid willen.

We hadden ooit een minister, Margreet de Boer, die het woord ‘onthaasten’ muntte. Ik weet nog dat het velen aansprak. Nu hoor je het haast niet meer. Ik denk dat het begrip nog niet urgent genoeg was.

Groet, Jaap

Winterbanden

1 december 2014


Beste Jaap,

Het is winter geworden, vandaag krijg ik winterbanden en het is om kwart voor negen nog steeds niet helemaal licht. Altijd even wennen, deze periode van het jaar. Zeker ook omdat er altijd weer gebeurt wat ook nu weer gebeurt: we rennen richting 1 januari alsof daarna alles ophoudt. Mijn agenda zit die laatste weken ram- en ramvol met allemaal klussen die ‘nog even’ af moeten, of alvast moeten worden opgestart.
Dat vragen mensen me tot een week voor het kerstreces. Dan worden afspraken weer afgezegd: ‘we redden het toch niet’, laten we het maar over de jaarwisseling heen schuiven. En dan wordt die laatste drukke week ineens weer een betrekkelijk rustige week wordt. Wedden dat dat dit jaar ook gebeurt?

Het blijft interessant hoe wat we plannen en bedenken vaak los hangt van wat er echt kan of gebeurt. Opdrachten moeten kort na de de intake starten en dat moet je kunnen garanderen. Is de offerte geschreven, dan kan het zo nog drie maanden schuiven voor een opdrachtgever tot besluitvorming komt. En dan blijkt die deadline helemaal niet zo hard. Projecten moeten binnen een specifieke deadline worden uitgevoerd. Is de deadline eenmaal daar, blijkt ‘ie te kunnen schuiven. Of de deadline blijft hard, maar de kwaliteit van het geleverde lijdt eronder.

Met aanbestedingen – jij schreef er al eens over – is het nog meer losgezongen. Daar wordt de werkelijkheid gevormd naar het plan, ook als het niet kan. Factoren die van belang zijn, worden uitgesloten van het proces, alsof dat kan. En ook na de aanbesteding blijkt de wereld complexer dan in de aanbesteding bedacht. Gevolg: meerkosten, ruzie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, uitlopende planningen, aanvullende opdrachten.

Kortom, waarom plannen we eigenlijk op een manier die zo slecht aangesloten is bij hoe de wereld echt werkt? Maar ook, waarom denken we vanuit de echte wereld dat die planning gaat werken?
Ze hadden in de garage beloofd dat het een half uurtje zou duren … ik zit hier nu een uur en die banden zitten nog niet onder de auto … ook ik trap erin.

Groet, Leike

Democratisch vermoeidheidssyndroom

23 november 2014


Beste Leike,

Huibert de Man reageerde op jouw laatste blog met de vraag hoe we de politiek bescheidener en met meer respect voor de praktijk krijgen. De meesten om hem heen keren zich van de politiek af.

Het is nogal een goede vraag natuurlijk, of een heel belangrijke. En het ziet er ook zo uitzichtloos uit. Alsof de krachten naar meer populisme en soundbites alleen maar toenemen naarmate de pers commerciëler wordt en mensen zich steeds meer alleen maar laten informeren op de manier die hun bestaande opvattingen versterken. Het Sociaal Cultuur Planbureau meldde ergens in de afgelopen weken dat verschillende bevolkingsgroepen steeds gesegmenteerder het nieuws tot zich nemen. Slechts het NOS-journaal overbrugt als nieuwsbron rijk-arm, links-rechts, hoog- en laagopgeleid.
En we hebben niet in de gaten hoe eenzijdig de social media, de TV of het internet ons informeert. Ik merk nog regelmatig dat ook heel goed geïnformeerde mensen zich niet realiseren door ook je ogenschijnlijk neutrale zoekmachine stuurt naar wat je bevalt en voorkomt dat je geconfronteerd wordt met dingen die je niet wilt weten…waardoor je niet weet wat je (althans volgens de algoritmes van Google) niet wilt weten.
Eenzijdigheid troef en dat helpt niet in het begrip van andere opvattingen.

Maar nu las ik een prachtig boekje van David van Reijbrouck: tegen verkiezingen. Met een prachtige analyse van het democratisch vermoeidheidssyndroom. Hij laat mooi zien hoezeer we zijn gaan denken dat democratisch en verkiezingen synoniem zijn geworden, maar dat dat iets is van de laatste 200 jaar. Op overtuigende wijze legt hij uit hoezeer verkiezingen eigenlijk behoorlijk ondemocratisch zijn. Het systeem van verkiezingen leidt ertoe dat we een elite aan de macht brengen. Je ziet ook mooi in de ontwikkeling van kiesstelsels dat oorspronkelijk slechts een klein deel mocht kiezen, de gewone vrouw kwam in het spel niet voor. In de loop der jaren hebben we algemeen kiesrecht, maar allerlei selectiemechanieken die ertoe leiden dat niet iedereen aan de macht kan komen. In de VS helpt geld of het zijn van Kennedy of Bush; de Nederlandse tweede kamer wordt bevolkt door doctorandussen. Ik herinner me een prachtartikel uit 2002 van Gerard van Westerloo over de politieke partij als headhunterbureau.

Van Reijbrouck houdt een mooi betoog voor loting. Grijpt terug op het oude Athene waar bijna alle staatsfuncties zo tot stand kwamen en beschrijft hoe in het Italië van de renaissance het lot belangrijk was in het bestuur van steden als Venetië en Florence. Daar ook met mooie procedures van loten en kiezen in opeenvolgende stadia. Je ziet eigenlijk heel mooi hoe de willekeur van het lot geweldig helpt in het voorkomen van eenzijdigheid.
Het is me in dit korte stukje niet mogelijk om de rijkheid van die ideeën over loten goed te treffen. Ik had in aanvang (misschien net als jij) het idee dat loten veel te willekeurig en te risicovol zou zijn in onze ingewikkelde wereld. Maar hoe langer ik er over nadenk, hoe aantrekkelijker ik het idee vindt.
Tenslotte is toeval ook de motor van de evolutie en van het feit dat wij elkaar stukjes schrijven.
Lezen dus dat boek tegen verkiezingen!

Groet, Jaap

Hoofpijndossier

14 november 2014


Beste Jaap,

Deze week was de Nationale Politie in het nieuws. Een hoofdpijndossier werd het genoemd. Je zal er maar werken, in zo’n hoofdpijndossier. Sinterklaas is of discriminerend of ouderwets gezellig, iedere vorm van nuance is verdwenen. Alsof niet allebei waar is. We moeten naar een participatiesamenleving. Alsof die er niet al is.We leven in een wereld van eindconclusies. We praten in eindconclusies. We worden geïnformeerd in eindconclusies. De media heeft een voorkeur voor eindconclusies. De politiek haast zich in het formuleren van eindconclusies op ontwikkelingen.

Maar in de politieke statements zie je niet terug hoe het in wijken tussen buren echt werkt. In hoe maatschappelijke onderwerpen geagendeerd worden zie je niet de moeite die burgers met elkaar doen. De media tonen die kant van het verhaal waar ze de meeste kijkers mee halen. Details en nuanceringen zijn saai. En in organisaties is de wereld van het werk veel weerbarstiger dan de mooie ambities waarin erover gesproken wordt.Wat moet je met die eindconclusies? Misschien geloof je erin, omdat ze mooi zijn of passen bij wat je zelf ook vindt. Maar kun je erop vertrouwen? Zegt die politicus nou iets dat hij oprecht vindt, of is het om kiezers binnen te halen, of om de aandacht van de camera te trekken? Hebben die ambities van een Raad van Bestuur nou echt met jou als werknemer te maken, of zijn het mooie woorden die helpen een bonus binnen te halen? Heeft zo’n autoriteit waar je vorige week over schreef nou het beste met de sector die het controleert voor, of spreken zij ook om zichzelf in te dekken? En die verandering? Mooie woorden om te kunnen bezuinigen.

In het geweld van de eindconclusies is de wereld waarin we echt leven en werken onzichtbaar geworden. Die wereld die niet zo zwart-wit is. De wereld ook waarvan we weten dat we het van die nuance moeten hebben om met elkaar samen te leven.Ik begrijp wel waarom mensen zich afkeren van de politiek, of van het topmanagement, of van andere hoge instanties waar ze niets van begrijpen. Er is ook niets van te begrijpen, want het gaat op dat niveau niet meer over jou. Ze hebben je geabstraheerd tot een statement.

Maar de dagelijkse werkpraktijk is te rommelig om zomaar naar een nieuw vergezicht toe te wandelen. Rommeliger, rijker, genuanceerder en tot veel meer oplossingen en tussenconclusies in staat dan in de eindconclusies ooit zichtbaar kan worden. Eindconclusies zijn mooi, ze bekken lekker, en zijn handig voor de schijnwerper. Maar het echte leven en het echte werk vragen de luwte, de ruimte en de rust van het gesprek om herkend te worden en veranderd te worden. Want je werkt niet in een hoofdpijndossier, maar in een prachtige organisatie waarin een aantal dingen ingewikkeld zijn. Voor iemand in de top is het een hoofdpijndossier omdat ‘ie dat niet begrijpt.

Groet,

Leike

Organisatievragen