Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Macht en empathie op de late lane

18 juni 2015


Beste Leike,

Ik werd gevraagd om een bijdrage te leveren aan de ‘late lane’, een avond op De Baak met muziek en tekst. Voorheen een onderdeel van de ‘learning lane’. Leek me leuk om te doen en toen hoorde ik het thema: Macht en empathie.

Op een late lane…..(een late zomeravond op een stil laantje) en dan iets moeten zeggen over macht en empathie. Ik dacht direct aan erotiek. Kon ik niks aan doen. Je snelle brein flitst dit soort begrippen voordat je bewustzijn er erg in heeft.
Macht als begrip omgeven met taboe, door velen direct in verband gebracht met misbruik, corruptie en het voortdurend ontkennen dat je het hebt. Als begrip hoog scorend in de oefening ‘eufemismedetectie’ in ons laatste boek.

En empathie als een sympathieke tegenhanger. Wie heeft er nu wat tegen als iemand empathisch is? Dat is toch mooi invoelend en is het niet eigenlijk heel intiem en prachtig kwetsbaar en menselijk om te proberen te voelen wat de ander voelt?
Dus erotiek, associeerde ik in een split second, is een mengeling van intimiteit en afhankelijkheid, van een spel om wie het mag zeggen en elkaar proberen in te schatten.

Tot ik een avond later al zappend in ‘the nanny’ terecht kwam. Een Engels programma over falende ouders die geholpen worden door een professionele opvoeder. Daar zag ik opeens opnieuw macht en empathie. De nanny keek naar wat het kind nodig had en nam het heft in handen. Stelde duidelijke en consequente kaders en je zag het kind tot rust komen. Zij gebruikte de geleende ouderlijke macht en tegelijk zag je het machteloze kind (wat mag hier wel en niet?) macht krijgen over eigen gedrag en de situatie. De ouders idem dito. De totale hoeveelheid macht in dat gezin groeide in een uitzending.

Erotiek en opvoeden. Niet echt een logische combinatie toch?
Ik sluit niet uit dat ik deze zomer nog tien associaties krijg bij die twee begrippen. Ze passen dus ook wel bij elkaar.
Ook in organisaties en in verandering. Heb je als manager of veranderaar de empathische vermogens om te snappen wat wel en niet kan. Kan je invoelen hoe de organisatie zal reageren op je interventies? Zonder dat vermogen kun je het wel schudden.
Maar ook zonder macht. In Onderweg lanceren we het begrip Prudent geweld. Laten we het beestje bij de naam noemen. Organisatieverandering is een vorm van geweld. Mensen moeten niet vrijblijvend meedoen. Dat kan je proberen met verleiden (organisatie-erotiek?) of met stokken achter de deur. Er is geen ontkomen aan. Dus zou het wel mooi zijn als we dat geweld prudent zouden toepassen. Niet meer dan nodig, zo min mogelijk ‘collataral dammage’. Voorzichtig, maar doorpakken omdat zachte heelmeesters…

Ach moeilijk is het niet. Kijk naar de tegendelen.

Wie zou willen pleiten voor onmacht en egocentrisme als competenties?

Groet,
Jaap

Boek van het jaar

26 mei 2015


Beste collega’s en vakgenoten,

Wat een verrassing toen ons boek werd uitgeroepen tot boek van het jaar door de Orde van Organisatieadviseurs. We hadden het beiden niet verwacht.
Toen de titel ‘managementboek van het jaar’ van managementboek.nl aan ons voorbij ging, grapte Leike al dat we steeds beter werden in genomineerd worden, maar dat we niet zo goed waren in winnen. Onze eerste twee boeken –  ONveranderbaar en Ondertussen – werden beide bij de Orde genomineerd, maar Onderweg maar liefst twee keer: bij diezelfde orde en bij Managementboek. Er was dus progressie … in genomineerd worden.
Beiden dachten we dat Luc Peters zou winnen. Zo’n prachtig boek en zo creatief en anders. We dachten dat de jury ook wel gecharmeerd zou zijn van Franse filosofen en analogieën met film en ander kunstvormen. Jaap zette daarom al in op de Joop Zoetemelk-prijs: de prijs voor de eeuwige tweede.

Dus stapten we vorige week dinsdag volledig ontspannen het Boek&Festival van de Ooa binnen. Wij gingen gewoon lekker een workshopje doen. Ouderwets gezellig, met collega’s aan de slag rond een leuk onderwerp – in dit geval ons boek Onderweg. Beetje dollen met een valkuilenmemory, serieuze gesprekken over de mogelijkheid om te veranderen en het gevaar van taal en labels. We hadden een leuk gesprek over de weerstand die ons begrip ‘prudent geweld’ bij sommigen opriep. Dat gesprek ging een paar keer heen en weer totdat we verwezen naar de oefening ‘eufemismedetectie’ achterin het boek. Over hoe woorden soms net de goeie en soms net de verkeerde discussie loswoelen. Het blijft een feest om met vakgenoten in gesprek te zijn over boeiende thema’s in het vak.

En toen was er dat moment waarop bekend gemaakt werd welk boek de winnaar was. Geboeid – en argeloos – hebben we geluisterd naar Erna Scholtes, die het juryrapport voorlas. Een jury die benadrukt dat het voor ons vak belangrijk is dat we niet te veel uitgaan van de maakbaarheid. Een pleidooi voor omgaan met die grenzen aan die maakbaarheid. Ze prezen ons boek als een markering van het einde van het maakbaarheidsdenken.

Dan de relatie van dat statement en de drie nominaties. Spannend! Tot haar eigen schrik, vergiste Erna zich een aantal keren in de naam van Maurits Kreijveld. Dat bracht hem tot de gemompelde conclusie dat de prijs wel niet voor hem zou zijn. Wij gingen er beiden nog steeds van uit dat het Luc zou worden.
Hebben wij elkaar heel raar aan staan kijken op dat podium toen ons boek als winnaar genoemd werden? We vrezen van wel. Het duurde even tot het doordrong.

Maar wat een eer! Een prijs van je vakgenoten voor je boek. Tijdens onze boekdoop wilden we al graag laten zien dat dat wat wij in ons boek schrijven niet los staat van de gemeenschap waarin wij ons bevinden. We staan op schouders van vakgenoten en we zijn verbonden met vakgenoten. We leren van en met vakgenoten. Wat wij schrijven is er daarom ook mede dankzij die vakgenoten, de gesprekken die we met ze voeren, de ideeën die we delen en de verkenningen die we doen.
Daarom: een prijs krijgen van je collega’s en vakgenoten, het kon geen mooiere beloning zijn!

Groet,
Jaap en Leike

 

Verslag prijsuitreiking in Management & Consulting”:
http://www.managementenconsulting.nl/nieuws/algemeen/onderweg-ooa-boek-van-het-jaar-2014_5456

Verslag prijsuitreiking op website Orde van OrganisatieAdviseurs:
http://www.ooa.nl/nieuws/17946631/Onderweg-wint-titel-Ooa-Boek-van-het-Jaar-2014

 

Hollandse school

14 mei 2015


Beste Leike,

Ja, we grepen naast de titel ‘managementboek van het jaar’. En in jouw blogje aan mij gaf jij al aan niet graag in de schoenen van de jury te hebben willen staan. Hoe moet je immers kiezen uit allerlei eigenlijk onvergelijkbare boeken? Is Strawinsky beter dan Van Gogh of klinkt een zanglijster mooier dan het ruizen van de zee? Ingewikkeld.
Nu las ik op de site van managementboek hoe dat ging bij de jury: “De race was ongemeen spannend geweest, vertelde Bruel, zeker omdat het winnende boek aanvankelijk niet zo hoog op de ranglijst had gestaan. ‘Je ontkomt er niet aan om punten te gaan geven, maar toen wij na telling het lijstje bekeken, klopte de uitkomst gevoelsmatig niet’, zei Bruel. ‘Dus zijn we nogmaals gaan discussiëren. Zo kwamen we uit op Omnichannel in retail van Gino Van Ossel. Een outsider misschien, zelfs Gino Van Ossel zelf presenteert het in de videoclip die wij vanavond hebben gezien als een boek voor retailers, maar het is veel meer dan dat. Dit boek zit zo goed in elkaar en opent zulke interessante perspectieven, dat het ook voor andere managers zou lonen om het te lezen. De kruisbestuiving die daardoor kan ontstaan, is voor elke manager buitengewoon waardevol.”
Ik doe een poging tot close reading van die tekst, juist omdat het zo interessant is hoe je appels met paarden vergelijkt.
“Je ontkomt er niet aan om punten te geven”. Dit klinkt als tweede keus, fijner was het geweest als de jury unaniem of in grote meerderheid tot een keuze was gekomen. Ze hebben –zo begrijp ik- allemaal punten per boek gegeven als hulpmiddel voor het vervolggesprek. Ik vermoed dat het later winnende boek in de voorafgaande discussie nog geen grote kanshebber leek, want de uitkomst klopte gevoelsmatig niet.
Als dit allemaal nog klopt kan het zijn dat het bij velen nummer 2 stond, maar dat allen een ander boek op nummer 1 hadden, dat echter weer bij anderen heel laag stond. Daarmee snap ik ook het jurapport zelf waarin stond: “Dit jaar was de race ongemeen spannend en kwam de winnaar terug uit schijnbaar verloren positie.”

Ik schrijf je dit zo uitgebreid omdat we gevraagd zijn op het afscheid van Léon de Caluwé bij AOG een workshop te verzorgen. Omdat wij als eerste het begrip ‘Hollandse School’ in de mond hebben genomen, vroeg de organisatie ons om een workshop over dat thema te verzorgen. Tja, en dan maar nadenken over wat die Hollandse School nu eigenlijk kan zijn. Iets met polderen en pragmatisch, iets met er samen uitkomen en geen ruzie krijgen, iets met tegenstellingen productief maken, iets met groepsbesluiten….
En opeens zag ik het. De jury als de Hollandse School! Als elkaar overtuigen niet lukt, kiezen voor een neutrale procedure, opnieuw het gesprek voeren en dan samen kiezen voor iets waarvan je na enig heen en weer praten allemaal vindt dat dit een goede oplossing is.
Knap!
Ik ben wel een fan van die polder. Fijner dan die fanatieke gelijkhebbers, fudamentele betweters en onverdraagzame waarheidinpachthebbers. Immers: wat is mooier gelijk of geluk?

Groet, Jaap

Helaas

29 april 2015


Beste Jaap,

Helaas, we hebben hem niet gewonnen, de titel ‘Managementboek van het jaar 2014’. Het werd Gino van Ossel met het boek Omnichannel in de retail. Je kon er niet bij zijn op de uitreiking, dus in dit blogje een kort verslag.

We wonnen niet, maar dat neemt niet weg dat de jury in het juryrapport buitengewoon lovend was over ons boek:
‘Voor wie niet bij 0 begint maar in een “Robuuste” organisatie is het boek onderweg meer geschikt. Dit boek maakt zijn titel meer dan waar: de weerbarstige praktijk wordt niet verhuld achter abstracte concepten, maar de concepten worden op een realistische manier vertaald naar een concrete veranderaanpak voor traditionele organisaties. Een van de beste verandermanagementboeken van de afgelopen jaren, dat en passant de wereld opfleurt met woorden als betekenisproductieproces en bedoelingengedoe.’

Een oordeel om buitengewoon trots op te zijn, toch? Al hebben we niet gewonnen? Voorafgaand aan de uitreiking vroeg ik me al af hoe de jury dat in vredesnaam wilde doen: vijf goede boeken, allemaal op een ander onderwerp. Een van de leuk(st)e dingen van genomineerd zijn, is dat je de boeken van je tegenstrevers krijgt. Wat een cadeau! Heerlijk gelezen. Ik had mijn kaarten op het boek over Big Data gezet. Leuk boek dat het ‘enge’ fenomeen dat alles vast ligt en (tegen je) gebruikt kan worden. Maar daarnaast waren er boeken over de toekomst, business modellen en die retail dus. En ons boek natuurlijk, over veranderen.

Had jij kunnen kiezen? Ik niet. Dat kan natuurlijk komen omdat ik ons eigen boek niet meer gelezen heb. Misschien had ik die dan met stip op nummer 1 gezet. 🙂 Maar na lezing had ik vooral te doen met de jury. Knap hoe zij zich buitengewoon zorgvuldig en precies van hun taak gekweten hebben. Ik sprak nog even met Maurits Bruel, de voorzitter. Hij was erg tevreden over de vijf nominaties. Gaf aan dat het de jury gelukt was om de echt goede boeken van 2014 eruit te halen.

Managementboek had van het gala weer een feestje gemaakt. Als genomineerden dineerden we vooraf met elkaar, de uitgevers en de jury. Een genoeglijk etentje en leuk om elkaar te leren kennen. De avond zelf begon met een donderende preek van Joep Schrijvers over nut en noodzaak van managementboeken. Daarna waren er door Frank du Mosch geleidde gesprekken met uitgevers, lezers en auteurs over boeken, het boekenvak en de toekomst van het managementboek. Afgewisseld met op de gesprekken geïmproviseerde korte liedjes en cabaret.

Aan het eind van de avond onthulde de jury de winnaar. De laatste alinea was bloedstollend spannend. Behalve voor Sander, één van de auteurs van ‘Wij zijn Big Data’. Hij had gezien dat er maar één bos bloemen lag. Zij konden het dus niet zijn. Lekker rustig voor hem, want het laatste deel van het rapport was zo geschreven dat ieder van ons kon denken ‘ah, dat gaat over mijn boek!’. Scheelde voor hem zenuwen.

En toen werden wij het niet.
Maar hoe luxe kun je het hebben? We zijn nog een keer genomineerd. Dinsdag 19 mei hebben we een volgende kans. Dit keer voor de titel Boek van het Jaar van de Ooa en de Roa. 
Spannend!

Groet, Leike

Vergeten groente

15 april 2015


Beste Leike

Of het een onsje gewoner mag, was je vraag in je vorige ‘beste Jaap’. Nou, heel graag wat mij betreft. Ik word ook vaak nogal moe en verveeld van dat gehyper. Ik voel meer voor het understatement dat ik van Paul Valens leerde: je levert altijd half werk, het is immers nooit klaar; je maakt geen diagnose, maar oppert een hypothese, je geeft geen advies, maar doet een voorzichtige suggestie, rolt niet iets uit, maar doet een experimentje.
Wat goed is, vindt zijn eigen weg wel.

Het doet me ook aan iets anders denken. In mijn eerste baan werkte ik eind jaren zeventig in Amsterdam met Surinamers. Als je dan vroeg hoe het met iemand ging, en hij zei “rustig man, rustig”, dan wist je dat het heel goed ging. No spang (geen spanning), een relaxed leven. Heerlijk. Toen al gaven Nederlanders een heel ander signaal. “Druk, druk, druk” was om een of andere reden een goed teken. Wij Nederlanders voelen ons blijkbaar beter als we vooral niet de indruk wekken lui of zonder verplichtingen te zijn. “In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen”, zo luidt onze protestantse werkethiek.
Het congres Organiseren, adviseren en veranderen in juni aanstaande zal gaan over Verandergekte. Over hoe we soms doorslaan in onze veranderbehoefte, -drift en-ambities. Ik denk een beetje zoals wij zelf ooit beschreven hoe we in een verandercultuur leven: stilstand is achteruitgang en rust roest. Veranderen is positief, net als groeien, ontwikkelen, transformeren, kantelen en nog zo wat. Change, yes we can, sprak Barack en de belofte van verandering alleen al maakte hem populair. (Overigens wel grappig dat in dezelfde week PsyQ een congres organiseert onder de titel “de GGZ draait door”.)
Nu vroeg managementboek.nl me om in een videoboodschap een vraag te stellen aan bezoekers van het managementboekengala op 23 april. Wat zou een mooi thema zijn om mensen met elkaar over in gesprek te brengen? Ik kwam al vrij snel op het stapelen van veranderingen. Steeds vaker en steeds gekker maak ik mee dat allerhande veranderingen op elkaar en door elkaar de organisatie proberen te modelleren naar een of andere invalshoek. Veranderingen komen niet alleen van boven, maar ook van buiten, van onder, van opzij en zomaar van binnenuit. Wetgevers, directies, HR-managers, controllers, IT-beveiligers, klanten, noem maar op. Allemaal zien ze een reden tot verandering en zelden is er veel regie aan de top op prioriteit, op dosering op onderlinge afstemming of integratie.
Waar die afstemming dan plaatsvindt? Op de werkvloer en bij de middelmanagers natuurlijk. Want daar komen al die veranderingen samen en daar worden heel operationeel de strategische afwegingen gemaakt om iets wel te doen en iets anders te negeren: alles doen kan namelijk niet. En de top maar denken dat de organisatie niks wil en dat een leemlaag van middenmanagers niet veranderingsgezind is. Systeemvraagstukken worden tot psychologisch mankement getransformeerd.

Mijn vraag is daarom hoe we kunnen organiseren dat we in organisaties niet voortdurend van alles willen veranderen, hoe we ervoor kunnen zorgen dat het management leert kiezen, leert nee zeggen. Dat nieuw niet altijd beter is. En dat less more is.
Zoals chefs in sterrenrestaurants ontdekten dat je lekkerder kookt met het lokaal verkrijgbare, met smaken onttrokken aan doodgewone ingrediënten en dat langzaam garen leidt tot behoud van smaak.
Zou het tijd worden voor de vergeten groente in de veranderkunde?

Groet, Jaap

Mag het een onsje gewoner?

2 april 2015


Beste Jaap,

Al een weekje puzzel ik waar ik je over zou willen schrijven. Er is niet zoveel bijzonders te melden. Is het saai? Nee, gewoon. Is er iets aan de hand? Nee, alles zijn gangetje. Je kunt er gerust over naar huis schrijven, maar om er nou een blogje mee te vullen?

Ik merk dat dat gevoel nog eens versterkt wordt door alle hyper- en superlatieven om me heen. Alle collega’s hebben op Twitter prachtige bijeenkomsten, met mooie mensen, geweldige oplossingen, creatieve energie …. In de krant lijkt iedere mening voorzien van bijvoeglijk naamwoorden die de emotie die de auteur voelt kracht bij moeten zetten. In bladen en boeken zijn inzichten, methoden en aanpakken voorzien van termen die de genialiteit en originaliteit voor het voetlicht moeten brengen. Alles moet anders, is aan het veranderen, kan niet anders dan veranderen, staat op het punt van kantelen.

En daar zit ik dan, in het oogje van die orkaan. Had ik een leuke dag? Best wel. Bijzonder? Nee, deed gewoon mijn werk. Ga ik vanavond nog iets hemelbestormend creatiefs, moois, leuks doen? Nee. Beetje sporten en hangen op de bank. Dit weekend iets bijzonder? Huis poetsen, boodschappen doen en het dode blad uit mijn tuin halen. Schrijf je daarover? Nee, want wie wil dat nou weten? Dat doen we immers allemaal.
Is het in organisaties niet hetzelfde? Heel veel mensen die gewoon hun best doen om hun klus te klaren. Hard werken, beetje prutsen, niet echt bijzonder. Niet per se 140 tekens op Twitter waard.

Bijzonder dan toch dat in al die mediale uitingen de wereld er zo anders uit ziet. Logisch ook wel: Als je maar 140 tekens hebt, moet je catchy zijn. Als je maar 1 minuut op het journaal hebt, moet je een pakkende quote hebben. Als een krant geen goede chocoladeletters heeft, wordt een artikel niet gelezen. Maar als je een marsbewoner alleen Twitter als informatiebron zou geven, zou die een ander beeld van de wereld krijgen dan die waar we dagelijks inzitten. Achter al die aanprijsteksten zitten gewone levens van mensen die niet zoveel meemaken en gewoon hun ding doen elke dag. De foto’s van Ed van der Elsken daarvan vinden we prachtig, maar in het mediageweld verdwijnt het. Het dagelijks leven wordt onzichtbaar. Het is zo gewoon dat je er niet over schrijft.

Ik denk dat het effect heeft, al die hyperbolen in de media. Een hele tijd terug zag ik op tv een documentaire over jongeren die iets in de kunsten studeerden. Over de stress die dat opleverde. Omdat je als jongere tegenwoordig uit hel veel kunt kiezen. Dan moet je natuurlijk wel het goede en beste kiezen. En dan moet je ook nog wel bijzonder zijn en de beste in wat je gekozen hebt, anders ben je een beetje een loser. Het moet bijzonder, met passie (schreven we daar niet al eerder over?), gekoppeld aan je waarden en echt wat je wilt doen. Dus moet je werk wel elke dag een piekervaring zijn, en moet je mooie dingen meemaken. Dat moet je dus ook laten zien.
Maar waar drijven onze maatschappij en onze organisaties nou eigenlijk op? Voor een belangrijk deel op gewone mensen die gewoon hun werk doen. Elke dag pieken en dalen is heel onbetrouwbaar. Alleen maar schoonheid en unieke gebeurtenissen is vermoeiend. Ik schreef het geloof ik al eens: werk is niet alleen krenten, het is ook gewoon pap. Als je alleen de krenten wilt, heb je het moeilijk.

Gewoon je werk doen, gewoon je leven leven. Waarom verdwijnt het dan zo makkelijk uit beeld? Ik word moe van al dat bijzondere dat mensen me proberen te laten zien. Stiekem geniet ik minstens zo veel van dat gewone: ‘Morgen Leike, nog iets gebeurd de afgelopen dagen? Nee buurman, helemaal niets gebeurd.’
Hé, wat fijn!

Groet, Leike

Nominatie

26 maart 2015


Beste Leike,

Leuk he, dat ons boek genomineerd is als managementboek van het jaar? Een wonderlijk proces van een jury die –zonder dat je dat weet- je boek leest en er met elkaar over praat, zich een mening over vormt en dan besluit dat het samen met andere boeken op de shortlist komt. Staan we daar nu in competitie met een boek over big data en een boek over retailmarketing, een over businessmodellen en een boek over technologische ontwikkelingen in de toekomt. Al die boeken zijn geschreven door professoren, wij lijken de enige pure ‘practioners’ van die auteurs. Geestige opsomming ook omdat het van die onvergelijkbare onderwerpen zijn. Ik geef het de jury te doen om straks te komen tot een oordeel wat dan het meest in aanmerking komt voor de eerste plaats.

Op een heel andere manier maakt de jury van de Orde van Organisatieadviseurs zijn opdracht tot een bijzondere uitdaging. Daar is ‘Onderweg’ doorgedrongen tot de laatste tien boeken, maar daar staan heel bijzonder boeken bij. ‘Tegen verkiezingen’ van David van Reybrouck bijvoorbeeld. Zo’n zeven blogs eerder, schreef ik je een enthousiaste ‘beste Leike’ over de originele prachtideeën van Van Reybrouck in dat boek over het democratisch vermoeidheidssyndroom. En loting als een oplossing voor organisatiekundige vraagstukken is zeker een originele gedachte!

Ja, en hoe lezen mensen ons boek? Ik had gisteren mijn oude vriend Rob aan de telefoon. Hij vond het boek prachtig, maar wel meende dat we het verkeerd zagen om de banken fragiel te noemen. Hij werkt bij een bank.

Grappig he? Door dat zinnetje over waar hij werkt krijgt de zin daarvoor gelijk een andere lading. En kun je erbij denken dat hij veel deskundiger en oordeelsbekwamer over banken is dan wij. Maar je kunt ook denken dat hij bevooroordeeld is omdat hij er te dicht op zit, of er teveel emotioneel mee verbonden is.

Het wakkerde nog weer eens bij mij de gedachte aan dat je altijd leest vanuit je eigen kaders, geschiedenis, ervaringen, vorming, waarden. En dus leest iedere lezer eigenlijk een ander boek. Het past net anders bij eigen ervaringen en inzichten. Het bevalt de een omdat een oog geopend wordt, het bevalt de ander omdat we precies beschrijven wat ie al dacht, het bevalt een derde omdat zij denkt dat het bruikbare gedachten bevat en een vierde omdat hij van drie andere mensen hoorde dat het een mooi boek is.

Wat in ieder geval heel leuk van die nominaties is, is dat het er waarschijnlijk toe leidt dat meer mensen in ons boek bladeren en zich afvragen of er wat van hun gading bij zit. En natuurlijk dat het eervol is je eigen werk te zien te midden van heel erg mooie en interessante boeken. Dat hebben we dus al gewonnen.

Groet, Jaap

Voor of tegen?

1 maart 2015


Beste Jaap,

Ik roei een beetje tegen de algemene opinie in, maar ik kan erg meevoelen met de bestuurders die nu zo onder druk staan bij de UvA.
Niet omdat ik ‘t niet eens ben met de studenten. Ik deel hun boosheid over wat er gebeurt. Ook niet omdat ze bezetting als middel kiezen. Dat vind ik wel geestig, goed gekozen. En ook niet omdat ze een beetje doorschieten in hun niet-democratisch geëist democratisch bestuur. Kortom ik ben het eens met de zaak waar ze voor vechten en ik kan het middel waarderen.

Maar dat betekent nog niet dat ik het met de bestuurders oneens ben. Waarschijnlijk hebben ze al heel lang geprobeerd om bezuinigingen af te wentelen, alternatieven te bedenken en te zoeken hoe je pijn en schade zo klein mogelijk maakt. En ze zijn er niet voldoende in geslaagd. Hebben pijnlijke beslissingen moeten nemen. Hebben ze moeten uitleggen en verdedigen. En ze snappen dat wat de studenten willen niet kan.
Ze proberen redelijk in gesprek te gaan met studenten (dit is Nederland!), maar je kunt niet redelijk in gesprek gaan met mensen die vechten voor een zaak. Niet vanuit de wereld waar ze tegen vechten. Wat een nare positie!
Let op, ik heb ook geen medelijden met ze. Daar krijgen ze nou die salarisschalen extra voor. Het lullige is dat ze iets moeten proberen wat niet werkt, terwijl ze het niet-niet kunnen proberen. Beide komt ze op hoon te staan in de media.
Media die met graagte de machteloosheid van de bestuurder uitvergroot als onredelijkheid en onbegrip.

In ons vak zie ik het ook zo vaak. Het is mooier, leuker en spannender om je met de underdog of de vernieuwer die (nog) geen poot aan de grond krijgt te afficheren. Dat maakt jou ook een beetje nobel, idealistisch, vernieuwend. Maar als je niet oppast maakt ‘t je kortzichtig en draag je eerder bij aan ‘t probleem in plaats van ‘t op te lossen. Dan kan waar je voor staat nog zo mooi zijn, bijdragen aan de realisatie doe je niet.
Ik kijk dan ook met groot respect naar Van der Laan. Wat kan die man goed laten zien waar hij staat ?n begrip opbrengen voor de andere partij, grenzen trekken ?n ruimte bieden. Die vorm van meerpartijdigheid en het vermogen om tegenstellingen te overbruggen juist door ze te erkennen … daar zouden we er meer van moeten hebben. Aan beide zijden van ‘t spectrum …

Groet, Leike

Zekers te weten!

16 februari 2015


Beste Leike,

Je zou dus wel meer ideologische, richtinggevende en visionaire verhalen willen zien, maar dan graag gekoppeld aan daden. Dat snap ik; een verhaal wint aan kracht, geloofwaardigheid en toetsbaarheid als het meer is dan woorden, als het gestalte krijgt in wat iemand doet. Sterker nog, wat iemand doet is een veel krachtiger boodschap dan de tekst die wordt uitgesproken of opgeschreven.

Daarom is voorbeeldgedrag ook zo essentieel als je anderen mee wilt krijgen.

Nu vind ik dat een van de ingewikkeldheden hierbij is dat het handelen van managers, politici, leiders, of hoe je ze ook zou willen noemen ook in taal verschijnt. Of eenvoudiger gezegd, de taal van de manager = zijn handelen. En voor je het weet verwar je spreken en handelen.

De timmerman kan spreken over een tafel en hij kan eraan kan schaven of zagen. We zien duidelijk het verschil. Maar als een manager spreekt met een medewerker is niet helemaal duidelijk of hij nu aan het werk is (schaven en zagen) of alleen maar commentaar levert (spreken over de tafel).

Je zou dus een onderscheid kunnen maken tussen handelend spreken en becommentariërend of oordeelvormend spreken. Het eerst is actie of leidt ertoe en het tweede is gericht op beter begrijpen en tot oordelen komen. En beide zijn nuttig.

Het oordeelvormend spreken is nuttig bij het onderzoeken van dingen. Je weet nog niet precies wat je van een kwestie vindt en je toetst bij je gesprekspartners wat zij ervan vinden en zo scherp je je eigen gedachten. Het is dan overigens wel productief dat je niet eindeloos blijft doorgaan met het scherpen van je gedachten, maar op enig moment tot handelen overgaat. Dan ga je over tot handelend spreken; je neemt een besluit of zet iets in gang. We kennen allebei managers of zelfs hele organisaties die kunnen blijven ronddolen in de oordeelsvorming, de nuanceringen en de perspectiefwisselingen. Intellectueel reuze leuk, maar analysis paralysis, uiteindelijk doodvermoeiend en machteloos.

Maar dan die andere kant, de kant van het handelend spreken. Daar waar de taal actie is of tot actie leidt. Heel erg nuttig en productief. Hier komt iets tot stand. Maar ook deze manier van praten kan doorschieten. Het is ook de taal van ‘zekers te weten’, de kant van de ‘krachtige leiders’, die van “waar is de knoop, dan hak ik hem door?”.

De behoefte aan een dergelijk type leiderschap ontstaat vermoed ik vanuit het ongeduld met trage oordeelsvorming bij complexe vragen. Maar dit soort besluitvaardigheid leidt ook gemakkelijk tot doorschieten in versimpeling en oppervlakkigheid. En tot dadendrang zonder diepgang. De handeldrift waarin door veel stoere besluiten ook veel stuk gemaakt wordt.

De kunst is dus om beiden te kunnen, kunnen stilstaan, reflecteren, onderzoeken en kunnen handelen, besluiten, poetsen. En dat dan in een goede onderling verhouding zodat visie ook handen en voeten krijgt. Het is goed om knopen te kunnen doorhakken, maar sommige kun je beter ontwarren. Dan kan je het touw nog eens gebruiken.

Groet, Jaap

Antwoorden?

8 februari 2015


Beste Jaap,

Antwoorden geven op de vragen van onze tijd. Ik zou het niet durven. Over dat soort zekerheden beschik ik niet. Het is dus waarschijnlijk ook niet voor niets dat we bij pragmatiek uitkomen in Onderweg. Maar pragmatisch zou ik niet opportunistisch willen noemen.

Ik vind het alles behalve opportunistisch. Het helpt juist om de boel bij elkaar te houden als al te grote antwoorden de boel uit elkaar dreigen te drijven. Als er weer eens wat gebeurt dat het islamdebat of het allochtonendebat op scherp zet, merk ik dat ik blij ben dat – hoe groot de woorden ook zijn die gebruikt worden om moord en brand te schreeuwen over wat er gebeurt – er geluiden zijn over hoe in het klein voorkomen wordt dat iets uit de hand loopt. De bewoners van de Schilderwijk die afstand nemen van de schreeuwende partijen die er willen komen protesteren. Burgemeesters die een pleidooi houden om niet te grote maatregelen te nemen en je niet bang te laten maken. Buurtbewoners die in het nieuws komen met voorbeelden hoe zij zorgen dat allochtoon en autochtoon niet uit elkaar gedreven raken. Kinderen die vertellen dat ze op school met elkaar van de juf en de meester moeten praten in plaats van vechten.
Hele kleine, pragmatische oplossingen die ervoor zorgen dat onze maatschappij niet uit elkaar geslagen raakt door schreeuwende partijen die op grond van hun idealen allebei vinden dat ze het gelijk aan hun kant hebben. We hebben die pragmatiek juist nodig om ons te weren tegen al te disruptieve idealen. Omdat we weten dat die niet werken, omdat ze te groot zijn, te extreem, te hard.

Natuurlijk, pragmatiek alleen heeft ook zijn ingewikkelde kant. Dat wat werkt raakt opgesloten in zichzelf als je het niet van tijd tot tijd uitdaagt en ter discussie stelt. We hebben de Pikettys van deze wereld nodig om iets zichtbaar te maken wat in de praktijk van alle dag onzichtbaar was. Om twee redenen: het is pragmatisch ingesponnen geraakt, en het is goed om je bewust te worden van waar je je niet (meer) bewust van bent. Maar ook om ons te wijzen op de bijeffecten van -al dan niet ideologische – oplossingen. Wat Piketty doet, is zichtbaar maken dat idealen in de praktijk anders uitpakken dan bedacht. Dat grote oplossingen pragmatisch anders uitwerken dan gedacht.

Je hebt niet alleen ideologische en krachtige antwoorden op de vraagstukken van vandaag nodig. Je hebt ook de pragmatische kracht nodig om de verandering die er nodig zijn te bewerkstelligen. In ons boek doen we handreikingen van hoe van idealen naar praktijk te komen. Waar heb je – prudent – geweld nodig om dat wat ingesponnen raakt, open te maken? Hoe zorg je dat iets zich niet te snel pragmatisch sluit, dat nieuwe impulsen worden meegenomen? Dat los je niet op met alleen – nieuwe – grote woorden, maar juist door de betekenis van grote woorden praktisch en doorleefd te laten worden. En alert te zijn op hoe je antwoorden in het echt uitpakken. Stacey benadrukt dat de waarden die achter idealen en ambities zitten, niet gefunctionaliseerd zijn. Het zijn woorden, nog geen daden. Pragmatiek maakt van grote woorden werkbare daden.
Antwoorden op grote vragen, kunnen zelden eenduidig worden opgelost. Je hebt veel variatie nodig om het werkbaar te krijgen. En je hebt dus pragmatiek nodig om dat voor elkaar te krijgen.

Vind ik dan dat je helemaal niks hebt aan visies, idealen, richtinggevende concepten? Integendeel! Ook ik zou wel meer ideologische veren willen zien in plaats van al die opportunistische ad hoc-politiek. Maar ik wil ze vooral gekoppeld zien aan daden. Want je kunt nog zo zeker zijn over de antwoorden op de grote vragen, je zult pragmatisch onderzoekend moeten zijn naar hoe je de antwoorden realiseert. En dat weet ik dan weer zeker!

Groet,
Leike

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!