Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Pragmatische idealen

29 januari 2015


Beste Leike,

Het is al weer drie weken geleden dat we ons derde boek te doop hielden. Inmiddels zijn er een paar filmpjes verschenen over het evenement en staat een eerste interview op overmanagement.nl.
Leuk is ook dat nu de eerste reacties van lezers binnenkomen. Gelukkig allemaal positief, het lijkt erop dat het boek niet alleen mooi is vormgegeven, maar dat ook de inhoud aanslaat bij onze lezers.
Iemand sprak met wel aan op dat pragmatisme van ons. Het hele boek vertrekt uit de dagelijkse realiteit in organisaties, en onze veranderbenadering wortelt vooral in dat wat werkt. Bewust blijven we weg uit de wereld van de dromen, de grote verhalen, de vergezichten en Olympische hoogten.
Dat pragmatisme sluit ook aan bij de lezers, denk ik, juist omdat management en veranderen uiteindelijk vooral gaat om de vraag of het ook werkt, of het de slag kan maken van nieuwe taal naar daadwerkelijk nieuw gedrag.
Maar die persoon die ik sprak, was juist daar kritisch over. Hij vond het wat te opportunistisch, te weinig toekomstgericht, onvoldoende een antwoord op de vragen van deze tijd. En dat vind ik een interessant punt. Geeft dat pragmatisme van ons nu ook een antwoord op deze grote vragen?

Hij heeft natuurlijk een punt:
Sinds het postmodernisme in zwang raakte hebben we afscheid genomen van de ‘grote verhalen’. De religie is op zijn retour, het socialisme heeft met Wim Kok zijn ideologische veren afgeschud en de ‘pragmatici’ van d’66 groeien en schudden hun kroonjuwelen af als het niet erg lukt om ze te verwezenlijken. Politieke partijen verliezen hun leden en opereren op de ‘kiezersmarkt’; zij hebben geen beginselen maar een kiezerspotentieel. De peilingen lijken soms een sterker richtsnoer dan de idealen. Zweven de kiezers of zweven de partijen eigenlijk?
Solidariteit is iets van vroeger en je identiteit hangt niet meer samen met je familie of dorp, maar met het aantal likes op Facebook. De ‘waarheid’ van het journaal maakt steeds meer plaats voor je eigen nieuwsniche op internet. Google verwijst je naar wat je al dacht. We individualiseren tegen te klippen op: ieder zijn eigen verhaal. Het lijkt alsof we in allemaal roeibootjes tegen elkaar opklotsen zonder verbinding, zonder richting, zonder dukdalf om aan vast te maken.
Ik vind het niet gek dat degenen die de kwijt raken, zich aansluiten bij een stroming met vaste waarden en zekerheden. Waarin in een oud boek staat wat goed is en wat fout, waar boekuitleggers precieze aanwijzingen geven over wat te eten en hoe je dient te leven. Dat het veiligheid biedt om je te verbinden met anderen met dezelfde rotsvaste overtuiging. Dat het zelfs veiligheid biedt om het gevaar op te zoeken, je hebt immers verschrikkelijk gelijk.
Deze lieden zijn alles behalve pragmatisch, wat hen verbindt is een eeuwenoude ideologie, de kracht van een groot verhaal, de kracht van echt ergens bijhoren, een antwoord op de onverschilligheid en de waardering van je geloofsgenoten. Zo’n krachtige ideologie is een gat in de markt (sprak de pragmaticus).

Ik zou daarom hopen dat de PvdA weer eens ideologische veren zou aantrekken en Piketty niet laat passeren als een gril. Dat D’66 echt ten strijde zou trekken tegen de groeiende macht van Google en Facebook (zie ‘de Cirkel’ van Dave Eggers) en dat GroenLinks veel steviger en strijdvaardiger inzet op de toekomst van onze planeet. Ik zou willen dat politici zich niet langer als managers zouden gedragen. Maar als dragers van een echte visie, met een beeld van een gewenste toekomst, niet alleen een visie op de dagelijkse waan en de komende formatie. We hebben meer richtinggevende visies en idealen nodig.
Maar je wilt ook dat die idealen uitmonden in iets dat werkt. Dus blijft het pragmatisme belangrijk. Het geeft geen antwoord op de grote vragen. Maar het helpt enorm bij de kleine, dagelijkse opgaven. En de meeste lange reizen beginnen met de eerste stap.

Groet, Jaap

Disclaimer

4 januari 2015


Via deze website stellen wij informatie beschikbaar over Organisatievragen. Wij besteden zorg aan de juistheid van deze informatie. Onjuistheden kunnen echter voorkomen. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor schade als gevolg van onjuistheid of onvolledigheid in de verstrekte informatie.

Privacy statement
Wij respecteren de privacy van jou als bezoeker van onze website en zullen informatie die je ons via deze website stuurt vertrouwelijk behandelen. Jouw gegevens zullen enkel worden gebruikt om je informatie te sturen of contact met je op te nemen. Jouw gegevens zullen nooit aan derden worden verstrekt.

Informatie over je bezoek zal enkel worden gebruikt ter analyse en verbetering van onze website. Ook informatie die je eventueel achterlaat zal enkel gebruikt worden ter verbetering van onze site en dienstverlening.

Haast?

21 december 2014


Beste Leike,

Breek me de bek niet open. De keren dat ik te maken krijg met onhaalbare planningen zijn nauwelijks te tellen.  Tijd om even stil te staan bij wat dit nu eigenlijk voor vraagstuk is of waar het vandaan komt, is er vaak niet. Tijd om een beetje een zorgvuldig proces in te richten blijkt vaak al verlopen voor je erbij werd gehaald. Heel bijzonder. En vaak ook behoorlijk onzorgvuldig.

Ik vraag me af waar dat nou vandaan komt. Gaat de tijd gewoon sneller omdat wij ouder worden (zoals Douwe Draaisma zo mooi beschrijft). Gaat de kloktijd van de geschiedenis sneller doordat we real time weten wat er elders gebeurt en we dus ook sneller kunnen reageren? Komt het door de snelheid van de e-mail en alle elektronische media waardoor instant-antwoorden de norm worden? En laten we steeds meer aan de markt over waardoor concurrentie en rat-race ook voor de publieke zaak de norm worden? Is tijd immers niet een van de belangrijkste concurrentiefactoren geworden (“vandaag besteld, morgen in huis”). Worden we gewoon ongeduldiger?

Haast lijkt de norm te zijn geworden.

Het fijne van het woord ‘haast’ is dat het soms de vinger op de zere plek legt en tegelijk laat weten dat deze spoed zelden goed is. Heel anders dan het woord ‘urgentie’: een begrip dat juist in managementland heel erg adequaat klinkt. “Fijn, men voelt de urgentie!”.  John Kotter heeft het ongeveer tot het middelpunt van zijn verandertheorie gemaakt. Het is leuk om te googelen op management en urgentie (urgentie=goed) en management en haast. Bij de laatste komt al snel stress om de hoek kijken, iets wat je niet wilt.

Urgentie klinkt goed dus, maar is ook te relativeren. Ten opzichte van belangrijk bijvoorbeeld. Dwight D. Eisenhower, de generaal en latere president van de VS, ontwierp ooit een eenvoudige matrix waarin hij belangrijke zaken onderscheidde van urgente. Zijn idee is dat wat urgent is, niet altijd ook belangrijk is, en dat als je steeds de urgente dingen doet, je mogelijk niet meer aan de belangrijke dingen toekomt.  Ik gebruik wel eens als voorbeeld dat je eigen professionele ontwikkeling zelden urgent is, maar wel heel belangrijk. De telefoon opnemen (met een onbekend nummer) voelt daarentegen vaak behoorlijk urgent, maar van het belang weet je nog niks als je er wel al je tijd in stopt..

Nu is onthaasten vaak ook niet zo simpel. Niet alleen managers lijken altijd haast te hebben, ook medewerkers “willen nu wel eens weten waar ze aan toe zijn”. De onbekendheid met de toekomst wordt hetzelfde als onzekerheid daarover en dat wordt weer gelijkgesteld met onzekerheid over het eigen bestaan.  Met de bekende paradox of het heel snel kan, heel zorgvuldig en met heel veel betrokkenheid van hen die zekerheid willen.

We hadden ooit een minister, Margreet de Boer, die het woord ‘onthaasten’ muntte. Ik weet nog dat het velen aansprak. Nu hoor je het haast niet meer. Ik denk dat het begrip nog niet urgent genoeg was.

Groet, Jaap

Winterbanden

1 december 2014


Beste Jaap,

Het is winter geworden, vandaag krijg ik winterbanden en het is om kwart voor negen nog steeds niet helemaal licht. Altijd even wennen, deze periode van het jaar. Zeker ook omdat er altijd weer gebeurt wat ook nu weer gebeurt: we rennen richting 1 januari alsof daarna alles ophoudt. Mijn agenda zit die laatste weken ram- en ramvol met allemaal klussen die ‘nog even’ af moeten, of alvast moeten worden opgestart.
Dat vragen mensen me tot een week voor het kerstreces. Dan worden afspraken weer afgezegd: ‘we redden het toch niet’, laten we het maar over de jaarwisseling heen schuiven. En dan wordt die laatste drukke week ineens weer een betrekkelijk rustige week wordt. Wedden dat dat dit jaar ook gebeurt?

Het blijft interessant hoe wat we plannen en bedenken vaak los hangt van wat er echt kan of gebeurt. Opdrachten moeten kort na de de intake starten en dat moet je kunnen garanderen. Is de offerte geschreven, dan kan het zo nog drie maanden schuiven voor een opdrachtgever tot besluitvorming komt. En dan blijkt die deadline helemaal niet zo hard. Projecten moeten binnen een specifieke deadline worden uitgevoerd. Is de deadline eenmaal daar, blijkt ‘ie te kunnen schuiven. Of de deadline blijft hard, maar de kwaliteit van het geleverde lijdt eronder.

Met aanbestedingen – jij schreef er al eens over – is het nog meer losgezongen. Daar wordt de werkelijkheid gevormd naar het plan, ook als het niet kan. Factoren die van belang zijn, worden uitgesloten van het proces, alsof dat kan. En ook na de aanbesteding blijkt de wereld complexer dan in de aanbesteding bedacht. Gevolg: meerkosten, ruzie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, uitlopende planningen, aanvullende opdrachten.

Kortom, waarom plannen we eigenlijk op een manier die zo slecht aangesloten is bij hoe de wereld echt werkt? Maar ook, waarom denken we vanuit de echte wereld dat die planning gaat werken?
Ze hadden in de garage beloofd dat het een half uurtje zou duren … ik zit hier nu een uur en die banden zitten nog niet onder de auto … ook ik trap erin.

Groet, Leike

Democratisch vermoeidheidssyndroom

23 november 2014


Beste Leike,

Huibert de Man reageerde op jouw laatste blog met de vraag hoe we de politiek bescheidener en met meer respect voor de praktijk krijgen. De meesten om hem heen keren zich van de politiek af.

Het is nogal een goede vraag natuurlijk, of een heel belangrijke. En het ziet er ook zo uitzichtloos uit. Alsof de krachten naar meer populisme en soundbites alleen maar toenemen naarmate de pers commerciëler wordt en mensen zich steeds meer alleen maar laten informeren op de manier die hun bestaande opvattingen versterken. Het Sociaal Cultuur Planbureau meldde ergens in de afgelopen weken dat verschillende bevolkingsgroepen steeds gesegmenteerder het nieuws tot zich nemen. Slechts het NOS-journaal overbrugt als nieuwsbron rijk-arm, links-rechts, hoog- en laagopgeleid.
En we hebben niet in de gaten hoe eenzijdig de social media, de TV of het internet ons informeert. Ik merk nog regelmatig dat ook heel goed geïnformeerde mensen zich niet realiseren door ook je ogenschijnlijk neutrale zoekmachine stuurt naar wat je bevalt en voorkomt dat je geconfronteerd wordt met dingen die je niet wilt weten…waardoor je niet weet wat je (althans volgens de algoritmes van Google) niet wilt weten.
Eenzijdigheid troef en dat helpt niet in het begrip van andere opvattingen.

Maar nu las ik een prachtig boekje van David van Reijbrouck: tegen verkiezingen. Met een prachtige analyse van het democratisch vermoeidheidssyndroom. Hij laat mooi zien hoezeer we zijn gaan denken dat democratisch en verkiezingen synoniem zijn geworden, maar dat dat iets is van de laatste 200 jaar. Op overtuigende wijze legt hij uit hoezeer verkiezingen eigenlijk behoorlijk ondemocratisch zijn. Het systeem van verkiezingen leidt ertoe dat we een elite aan de macht brengen. Je ziet ook mooi in de ontwikkeling van kiesstelsels dat oorspronkelijk slechts een klein deel mocht kiezen, de gewone vrouw kwam in het spel niet voor. In de loop der jaren hebben we algemeen kiesrecht, maar allerlei selectiemechanieken die ertoe leiden dat niet iedereen aan de macht kan komen. In de VS helpt geld of het zijn van Kennedy of Bush; de Nederlandse tweede kamer wordt bevolkt door doctorandussen. Ik herinner me een prachtartikel uit 2002 van Gerard van Westerloo over de politieke partij als headhunterbureau.

Van Reijbrouck houdt een mooi betoog voor loting. Grijpt terug op het oude Athene waar bijna alle staatsfuncties zo tot stand kwamen en beschrijft hoe in het Italië van de renaissance het lot belangrijk was in het bestuur van steden als Venetië en Florence. Daar ook met mooie procedures van loten en kiezen in opeenvolgende stadia. Je ziet eigenlijk heel mooi hoe de willekeur van het lot geweldig helpt in het voorkomen van eenzijdigheid.
Het is me in dit korte stukje niet mogelijk om de rijkheid van die ideeën over loten goed te treffen. Ik had in aanvang (misschien net als jij) het idee dat loten veel te willekeurig en te risicovol zou zijn in onze ingewikkelde wereld. Maar hoe langer ik er over nadenk, hoe aantrekkelijker ik het idee vindt.
Tenslotte is toeval ook de motor van de evolutie en van het feit dat wij elkaar stukjes schrijven.
Lezen dus dat boek tegen verkiezingen!

Groet, Jaap

Hoofpijndossier

14 november 2014


Beste Jaap,

Deze week was de Nationale Politie in het nieuws. Een hoofdpijndossier werd het genoemd. Je zal er maar werken, in zo’n hoofdpijndossier. Sinterklaas is of discriminerend of ouderwets gezellig, iedere vorm van nuance is verdwenen. Alsof niet allebei waar is. We moeten naar een participatiesamenleving. Alsof die er niet al is.We leven in een wereld van eindconclusies. We praten in eindconclusies. We worden geïnformeerd in eindconclusies. De media heeft een voorkeur voor eindconclusies. De politiek haast zich in het formuleren van eindconclusies op ontwikkelingen.

Maar in de politieke statements zie je niet terug hoe het in wijken tussen buren echt werkt. In hoe maatschappelijke onderwerpen geagendeerd worden zie je niet de moeite die burgers met elkaar doen. De media tonen die kant van het verhaal waar ze de meeste kijkers mee halen. Details en nuanceringen zijn saai. En in organisaties is de wereld van het werk veel weerbarstiger dan de mooie ambities waarin erover gesproken wordt.Wat moet je met die eindconclusies? Misschien geloof je erin, omdat ze mooi zijn of passen bij wat je zelf ook vindt. Maar kun je erop vertrouwen? Zegt die politicus nou iets dat hij oprecht vindt, of is het om kiezers binnen te halen, of om de aandacht van de camera te trekken? Hebben die ambities van een Raad van Bestuur nou echt met jou als werknemer te maken, of zijn het mooie woorden die helpen een bonus binnen te halen? Heeft zo’n autoriteit waar je vorige week over schreef nou het beste met de sector die het controleert voor, of spreken zij ook om zichzelf in te dekken? En die verandering? Mooie woorden om te kunnen bezuinigen.

In het geweld van de eindconclusies is de wereld waarin we echt leven en werken onzichtbaar geworden. Die wereld die niet zo zwart-wit is. De wereld ook waarvan we weten dat we het van die nuance moeten hebben om met elkaar samen te leven.Ik begrijp wel waarom mensen zich afkeren van de politiek, of van het topmanagement, of van andere hoge instanties waar ze niets van begrijpen. Er is ook niets van te begrijpen, want het gaat op dat niveau niet meer over jou. Ze hebben je geabstraheerd tot een statement.

Maar de dagelijkse werkpraktijk is te rommelig om zomaar naar een nieuw vergezicht toe te wandelen. Rommeliger, rijker, genuanceerder en tot veel meer oplossingen en tussenconclusies in staat dan in de eindconclusies ooit zichtbaar kan worden. Eindconclusies zijn mooi, ze bekken lekker, en zijn handig voor de schijnwerper. Maar het echte leven en het echte werk vragen de luwte, de ruimte en de rust van het gesprek om herkend te worden en veranderd te worden. Want je werkt niet in een hoofdpijndossier, maar in een prachtige organisatie waarin een aantal dingen ingewikkeld zijn. Voor iemand in de top is het een hoofdpijndossier omdat ‘ie dat niet begrijpt.

Groet,

Leike

Participatieautoriteit

2 november 2014


Beste Leike,

Dit weekend stonden er allemaal indrukwekkende stukken in de krant over hoe ons land werkt en geregeerd wordt. Aanleiding was de rapportage van de parlementaire commissie woningcorporaties. Heel bijzonder om de media te volgen en om te zien wat er gemaakt wordt van een sector die je goed kent. Ik heb tientallen corporaties geadviseerd en ben een keer of vier directeur van zo’n corporatie geweest. En ik heb ook heel wat van die directeuren gecoacht.
De corporatiesector is een sector die onder invloed van een maatschappelijke getij en veel liberale politieke ideologie een flink aantal jaren geleden verplicht is ‘ondernemender’ te worden en los te komen van verstikkende overheidsregelzucht. Het moesten ‘hybride organisaties’ worden die zowel een maatschappelijk belang moesten dienen als optreden als snelle ondernemers die niet teveel gehinderd worden door democratie en bureaucratie. Bijna alle corporaties veranderden van vereniging (met leden) in stichtingen. De directeuren werden bestuurder. Zo investeerden ze rendabel in makkelijke markten en onrenrabel is moeilijke gebieden. En ze werden slagvaardiger, ondernemender, minder risicomijdend en autonomer…

Decennia lang heeft de overheid allerlei taken op de markt gezet omdat de markt dat beter zou kunnen dan de overheid. Bekende voorbeelden zijn natuurlijk de PTT, de energiemaatschappijen en het openbaar vervoer, maar denk ook aan particuliere beveiligers die doen wat vroeger de politie deed of particuliere bedrijfjes die de inburgering voor hun rekening nemen.
Het klinkt leuk, de vrijheid van de markt, lekker efficiënt, ruimte voor ondernemingszin, innovatie. Maar overal waar de grenzen worden opgezocht ontstaan natuurlijk ook ontsporingen.
Als iets mis gaat met een maatschappelijk belang, dan moet de politiek in actie komen. Dat is hun rol. En in de afgelopen jaren ontwikkelde ze die rol tot een vaste tweetrapsraket: de parlementaire enquête waarin schande wordt gesproken over de gegroeide praktijk en de instelling van een autoriteit die nu eens gaat handhaven. Want werken met autoriteiten bieden mogelijkheden. De minister heeft iets om zich achter te verstoppen als het mis gaat en toch is er een soort verkapt overheidstoezicht. Zo hebben we inmiddels een Nederlandse Zorgautoriteit, een Autoriteit Financiële Markten, een Voedsel- en Warenautoriteit, een Dopingautoriteit, een Autoriteit Consument en Markt, een Kansspelautoriteit en niet te vergeten de Centrale Autoriteit Kinderaangelegenheden.
Er komt nog een Enquête naar de Fyra aan. Mijn verwachting van hun advies: een Spoorwegautoriteit.

Nu er niet zoveel meer geprivatiseerd kan worden, alle overheidsbedrijven zijn inmiddels aan de markt geschonken, ontstaat een nieuwe trend. De participatiemaatschappij. Veel van wat de overheid deed, kunnen de burgers toch ook prima zelf? Je kunt toch ook zelf voor je oma zorgen, het plantsoen maaien, de cultuuruitingen in de gemeente coördineren, vrijwilligerswerk doen in het hospice?
Daar gaan dingen gegarandeerd fout straks. Mensen verwerven informele machtsposities en misbruiken die, iemand krijgt de verkeerde medicijnen, niet alle hulp blijkt even belangeloos of vrijwilligers stoppen hun activiteiten zonder hun opvolging goed te regelen.

Ik voorzien een nieuwe parlementaire enquête en een nieuwe autoriteit: een participatieautoriteit.
Wedden?

Groet, Jaap

Eufemismen

17 oktober 2014


Beste Leike,

Ja dat ‘ish’ of ‘achtig’ is een mooie manier om ergens scherpe kantjes vanaf te halen.
In organisaties zie ik dat ook vaak gebeuren: door ergens achtig achter te zetten wordt het ongeveer: iets wat in de buurt komt. Tegelijk kun je iets zeggen zonder het echt te zeggen. ‘Het is een beetje bureaucratisch-achtig’ klinkt minder naar dan “het is bureaucratisch’. Zou je dat eufemismisering kunnen noemen?
Want eufemismen, daar zijn we ook heel goed in. Een woord dat in de loop der tijd een nare klank heeft gekregen vervangen we door een ander. Klassiek is hoe tuberculose op zeker moment TBC werd en enige tijd later TB. De meest rauwe vorm kennen we alleen nog van schelden: “krijg de tering!”. Sommige mensen noemen kanker ‘K’ of ‘de gevreesde ziekte’. Het afmaken van een veestapel noemen we ‘ruimen’; de NS spreekt over extra reistijd als ze vertraging bedoelen. Knap die laatste; het klinkt bijna als een cadeautje.
Soms gebeurt het ook heel beleidsmatig. Weet jij wat er met het Lager Beroepsonderwijs (LBO) is gebeurd? Dat heet tegenwoordig Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO). Ik veronderstel dat al weer wordt nagedacht over een nieuwe naam.
In organisaties kunnen we er ook wat van. Baas en knecht van vroeger heten tegenwoordig teamleider en medewerker. Als je ergens kritiek op hebt suggereer je een verbeterpuntje. Saneren noemen we reorganiseren. Ik ken voorbeelden waar reorganisaties weer doorontwikkeling werden genoemd. En ken jij ook van die managers die ‘between two jobs’ verkeren? Of het onderscheid tussen medewerkers die goed functioneren en zij die matig presteren. Matig betekent hier gewoon slecht, he?

Wat ik me afvraag is of dat nu erg is, om de dingen zo half te verhullen. Aan één kant is het misschien wel elegant om scherpe kantjes eraf te slijpen, om gezichtsverlies te voorkomen en om mee te doen in het taalspel zoals het gespeeld wordt. Dingen bij de naam noemen in een eufemiserende omgeving is al snel een provocatie: “hoeveel mensen functioneren hier eigenlijk echt slecht?”
Aan de andere kant hou ik ook wel van de helderheid die dingen bij de naam noemen oplevert. Alsof je meer respect toont voor de feiten en de pijnlijke consequenties die er soms bij horen. Verbloemen en verdonkeremanen klinkt niet erg transparant he?
In de Zaanstreek zijn ze daarvan. Daar is rechtstreeksheid een deugd. Wat anderen misschien bot zouden noemen, noemen ze daar eerlijk. Maastricht zit in Nederland aan de andere kant. Daar is die rechtstreeksheid zeer onbeschaafd en kiest men voor diplomatieke processen. De wandelgangen en café’s waarin zaken worden gedaan zijn volgens de Zaankanters juist weer achterbaks.

Ik ben er niet uit. Ik denk dat ik het maar hou bij wat ik meestal doe. Me een beetje aanpassen aan de mate van eufemismisering van de betreffende subcultuur en soms een beetje zoeken naar wat je kunt zeggen zonder andermans tenen te vermorzelen.
Wat jij?

Groet, Jaap    

Ish

9 oktober 2014


Beste Jaap,

Een paar weken geleden schreef Pia de Jong in haar column in NRC (16 september) over het oprukken van het ‘ish-virus’. Wonend in Amerika merkt ze dat heel veel woorden de extensie ‘ish’ krijgen om aan te duiden dat iets ‘–achtig’ of ‘ongeveer’ is. Als je ‘7-ish’ langskomt, betekent dat je rond zeven langskomt en niet precies om 7 uur. Een film is ‘Lord of the Ring’-ish. En je haar is ‘reddish’.

Toen ik die column las, moest ik meteen aan Fawlty Towers denken, waarin voor mij de mooiste ‘ish’-zin ever werd uitgesproken toen een gast – ondanks vele pogingen van John Cleese om het te verbergen – ontdekte dat haar man overleden was. Zij vraagt: ‘Is he dead?’. Waarop Cleese antwoordt: ‘Well, not quite dead … he’s deadish.’

Maar goed, ik moest er dus ook aan denken toen ik jouw blogje las over het grote verschil tussen wat er in de Tweede Kamer bedacht wordt en hoe dat lokaal in Woerden uitpakt. De uitkomst in Woerden is ‘ish’
vergeleken bij het Haagse plan. Het lijkt erop, maar het is het ongeveer en in ieder geval ook anders. Het heeft nog kenmerken van het idee, maar wel in verwaterde vorm. En het heeft bijeffecten die je bij het idee niet bedacht had.

Het fijne van ‘ish’, of het Nederlandse ‘achtig’, is dat het ruimte laat aan het woord dat ervoor staat. Het wordt breder interpretabel. Het heeft de kenmerken, maar is het niet helemaal. En daarover nadenkend: leiden niet alle veranderingen naar iets ‘achtigs’? Je bedenkt mooie dingen, maar hoe het uitpakt is nooit een exacte uitvoering van het plan dat je bedacht. Worden zelfsturende teams niet vrijwel altijd zelfsturend-achtig? Wordt
coachend leiderschap niet heel vaak toch coach-achtig leiderschap? En wordt nagestreefde transparantie niet transparant-achtig?

Bij de start van je verandering weet je niet wat voor een soort ‘ish’ uit je plan voortkomt. Soms transformeert het naar iets moois, naar een aangepast, maar werkend resultaat. Vaak hebben in dat geval medewerkers,
met begrip voor de essentie van de verandering, een vertaling gemaakt van het abstracte idee naar iets dat werkt in de praktijk. De gedroomde ambitie is gerealiseerd met beide voeten in de werkpraktijk. Het leidt tot een ‘achtig’ resultaat waar je blij mee kunt zijn.

En soms ontstaat, zoals in Woerden, een negatieve aanpassing van wat je voor ogen had. Want de vervorming naar iets ‘achtigs’ kan nare bij- en neveneffecten hebben. De effecten in Woerden zijn effecten die we
als maatschappij eigenlijk niet willen, en die de parlementariërs en regenten mogelijk ook niet hadden beoogd. Niet aan gedacht bij de planvorming, niet in de gaten toen de ‘ish-ige’ versie zich ontwikkelde. Resultaat: een draconische versie van wat je wilde. In het geval van Woerden zo erg dat de zorg er ten dode opgeschreven lijkt.

Da’s niet ‘ish’, da’s deadish. En dat moet je niet willen.

Groet,

Leike

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!