Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Valsspelen

8 november 2018


 Beste Leike,
 
Heb je midterm elections in Amerika een beetje gevolgd? Heb je gehoord over die gouverneur van Georgia? Die gouverneur die de regels vaststelt en ook zelf kandidaat is? Die voor zwarte kiezers zoveel barrieres mag opwerpen dat velen van hen niet kunnen stemmen? Die de districten zo indeelt dat er Republikeinse meerderheden ontstaan (bijgaand plaatje toont een paar van die districten)?
Wat is er gebeurd dat dit soort schaamteloos valsspelen geaccepteerd wordt?
 
Dat is natuurlijk brutaal en bizar dat het kan. Maar ik vrees ook dat het niet op zichzelf staat. Mijn vermoeden is dat de polarisatie in de samenleving inmiddels veroorzaakt dat het doel alle middelen heiligt. Dat de ethiek van goede regels en een eerlijk speelveld ondergeschikt zijn gemaakt aan de overtuiging van het eigen grote gelijk.
Ik wil daarom een pleidooi houden voor de herleving van iets wat in de vergetelheid dreigt te raken: sportiviteit.
 
Het nadeel van ouder worden is dat je ouder wordt. Het voordeel is dat je veel hebt meegemaakt. Zo weet ik me uit mijn jeugd te herinneren dat sportiviteit moest. Het was onderdeel van je opvoeding. Je moest tegen je verlies kunnen. Je leerde dat regels helpen om het spel leuk en eerlijk te maken. Ik herinner me dat we dat leerden van de Engelsen, dat idee om er keihard in te gaan op het voetbalveld (“het zijn geen kostschoolmeisjes”, zei mijn vader dan), maar altijd binnen de regels en na het fluitsignaal was je weer vrienden. Ik ben er dus mee opgevoed.
 
Ik nam die moraal ook mee van de talloze veldjes waar we voetbalden. Iets met gras en zand en kuilen, zonder lijnen en met neergelegde jassen als doelpalen. Je was je eigen scheidsrechter. En zelden of nooit was je het oneens over een overtreding. Winnen stond in dienst van de lol en niet omgekeerd.
 
Ook toen ik (een tikkie) ouder was bleef sportiviteit een basisuitgangspunt. Ik hockeyde bij ‘Be Fair’ (what’s in a name) en rende twintig kilometer per wedstrijd. Beperkt talent, maar heel gemotiveerd. En als je per ongeluk iemand in je enthousiasme omverliep of pijn deed met een onhandige beweging met je stick, zei je oprecht “sorry” en vroeg je of het weer ging. Een overtreding was het gevolg van onhandigheid, nooit van opzet. Na afloop dronk je dan heel veel bier samen met de tegenstander. Om de beurt bood je de tegenstander een kratje aan.
 
Hoe anders is het in deze tijd waarin competitie is veranderd in concurrentie. Waarin de wil te winnen het wint van sportiviteit. Waarin valsspelen onderdeel van het spel is geworden. Een ‘professionele overtreding’ noemen ze dat. We leven in een tijd waarin ‘voetbal is oorlog’ zo letterlijk is dat spelers erop uit zijn elkaar uit de wedstrijd te schoppen als de scheids even niet kijkt. Een tijd waarin slim schijnslachtofferschap door je supporters en je coach wordt toegejuicht. Een tijd waarin naast de scheidsrechter en twee assistenten, er ook nog een vierde man is om de coaches in bedwang te houden en een VAR (video op afstand) de scheids moet helpen bij wat hij zelf niet zag. Een soort wapenwedloop tegen de overtreding.
 
Wat er in de sport gebeurt, loopt parallel met wat we elders in de samenleving met elkaar doen. René Gude sprak ooit al over de sportificering van de samenleving. Sport lijkt de metafoor waarmee we naar verkiezingen kijken (wie wint, wie verliest?), naar debatten (wie wint, wie verliest?), naar de economie (Nederland derde op rijtje innovatiefse landen), we kiezen een chirurg met de beste rating en mogen na iedere internetaankoop schoolcijfers geven voor wat we kochten.
Maar zullen we die sportificering dan alsjeblieft op de goede manier doen en weer wat sportiever worden? Dat je een ander gunt dat hij het spel beter speelde? Dat als je zelf wint, je daaraan toevoegt dat je vandaag ook wel geluk had? Dat we inzien dat het doel van het spel het spel zelf is? Het doel is dus een middel, niets meer. Sjoemelen en valsspelen leidt tot verliezers, niet tot winnaars.
Zo, dat moest er even uit.
 
Groet, Jaap

Zachte overgangen

28 oktober 2018


Beste Leike,
 
Het verbaast me wel dat jij een jongetje bent.
Ik leerde ooit van Dick Swaab dat gender alleen al in de biologie een behoorlijk ingewikkeld construct is, laat staan bij psychologen, sociologen, antropologen en politicologen. Ik weet het niet meer precies, maar hij vertelde dat de hersenen van mannen en vrouwen verschillen, en natuurlijk nog veel meer gemeen hebben. En ook dat het niet òf het een òf het ander is, maar dat er allerlei tussenvormen zijn. In de hersenen dus. Genetisch leek het een ABC-tje. Je hebt of een XX, dan ben je een vrouw, of een XY-chromosoom en dan ben je een man. Maar ook dat klopt niet helemaal. Er zijn ook vrouwen die qua geslachtsdelen een vrouw zijn, maar die een XY-chromosoom hebben. Jamie Lee Curtis schijnt daar een voorbeeld van te zijn. Een supersexy dame in ‘A fish called Wanda’, maar ik zie inderdaad ook wel iets mannelijks in haar.
En dan hebben we nog allerlei varianten in wat mensen voelen of hoe ze hun identiteit ervaren. Een dochter van vrienden van ons bleek een zoon van hen te willen zijn. Na een tijdje twijfelen wist zij/hij het zeker. Hij had het lichaam van een vrouw, maar voelde zich een man. Zo volgde, naast een andere voornaam, een reeks eindeloze bezoeken aan VU-MC om het ook fysiek te kunnen worden. Daarbij heeft hij een vriendin die het helemaal geen biet interesseerde of zij man of vrouw is. Ze vindt hem leuk zoals ze is. De vriendin is bi. Ik vind ze allebei en samen helemaal geloofwaardig.
Interessant hoe ambigue dat man of vrouw zijn, is geworden in deze vervloeiende tijd.
 
En hoe anders was dat nog niet zo lang geleden.
Herman van Veen zong in 1969 Adieu café op een tekst van de onovertroffen Willem Wilmink waarin de volgende strofe voorkomt:
“Want zie, de nieuwe wet is
Dat zo’n café niet net is
De zoldering te laag is
Het licht er veel te vaag is
En dat er alle vrouwen
Hun plas op moeten houden
Omdat er geen wc is
Die veilig en privé is
En mensen ook al biggelt
Er een traan over Carmiggelt
De wet heeft rechtgedaan
Dus die cafeetjes gaan eraan”

Cafés werden gesloten omdat er geen ruimte was om een aparte WC voor vrouwen te maken.  Dat was vooruitgang want ook vrouwen mochten nu het café in.
Enige decennia later ben je progressief als je een genderneutrale WC installeert. Dan hoeven de bezoekers niet te kiezen uit de rigide man/vrouw-dichotomie. Ik denk dat dit wederom vooruitgang is. In Den Haag, viel mij deze week op, is het ene ministerie daar verder in dan het andere. Binnenlandse zaken heeft bijvoorbeeld gescheiden WC’s en bij OCW is het genderneutraal. Ik durf zo maar te gokken hoe het bij VWS is en bij Defensie.
 
Ik heb wel sympathie voor dat meer fluïde kijken naar wat gender bepaalt. Dus hoewel de bioloog en de cultureel antropoloog in mij jou toch zeker als een meisje zou typeren, snap ik dat jongetje in je. Ik ben zoooo van deze tijd. Dus als je bij me thuiskomt mag je gerust van mijn genderneutrale WC gebruikmaken.
 
Groet, Jaap
 

Jongetje

19 oktober 2018


Beste Jaap,
 
Ik denk dat ik een jongetje ben. Het moet wel. Ik herken me namelijk zo vaak niet in hoe vrouwen zichzelf positioneren in het man-vrouw-debat. Ik vind het vaak zo overtrokken, chargerend, stereotyperend. In die prototypen herken ik mezelf niet. Dus ik moet een man zijn, dan. Toch?
 
Deze week was hoorde ik in de auto tijdens een radio-uitzending een gesprek met twee Haagse politica over vrouwen in de (Tweede) Kamer. Want die Kamer, dat is een apenrots. En de apenrots is blijkbaar de natuurlijke habitat van de man. Het spel dat erop gespeeld wordt, is een mannenspel waar vrouwen zich in moeten voegen, als ik de dames mag geloven. Als vrouw heb je het daar moeilijk.
En dan volgt een interessante serie argumenten waarvan ik me afvraag of de dames eigenlijk zelf wel doorhebben wat ze zeggen.
De eerste in de serie zijn de nature-argumenten: vrouwen zijn van nature toch meer geneigd om ….
De tweede in de serie, net zo makkelijk, nurture-argumenten: vrouwen wordt toch geleerd om …, mannen zien vrouwen niet als ….
En de derde: de gedragsvoorbeelden: mannen gaan er toch maar stevig staan en vrouwen hebben een hoge stem. De dames hebben als vrouw geleerd om hun stem te laten dalen en ook met een rokje, stevig wijdbeens met twee benen op de grond te gaan staan.
 
Waarom ik dan een jongetje ben? Ik heb altijd stevig met mijn benen op de grond gestaan. Ik vind die apenrots best leuk, net als het spel dat erop gespeeld wordt. En ja, ook ik ben als vrouw niet altijd serieus genomen, maar dat doe ik ook wel eens naar mannen. Ook ik heb moeten leren hoe ik me goed en stevig uitdruk in apenrotscontexten, maar of dat nou typisch mannelijk is?
Ik denk trouwens dat er net zoveel mannen zijn die het moeilijk hebben gehad in hun begintijd in Den Haag, ik ken mannen met hoge stemmen en ook mannen die van nature geneigd zijn om te zorgen en niet zo nadrukkelijk aanwezig te zijn. Zouden dat dan toch meisjes zijn?
 
Bovendien, we hebben het over de Tweede Kamer hè? Een plek waar de gelijkheid-tussen-man-en-vrouwspelregel behoorlijk is doorgevoerd. In die Tweede Kamer zitten toch heel veel mannen en vrouwen die vaak toch een behoorlijk gender-balanced relatie hebben, waarin beide partners werken en een deel van de verantwoordelijkheid van het huishouden voor hun rekening nemen. Of anders geldt dat de stellen in hun omgeving wel. We hebben het ook niet over een bijeenkomst van het Red Pil-genootschap, de mannengroepering in Amerika die vindt dat het tijd is voor mannenemancipatie omdat ze het slachtoffer zijn geworden van de vrouwenemancipatie.
 
De afgelopen periode hebben we moeten wennen aan genderneutrale aanspreektitels en genderneutrale toiletten. We leren steeds beter dat het verschil tussen man en vrouw te plat is. Zullen we dan ook het samenspel tussen man en vrouw op werkvloeren niet meer zo verplatten. Zullen we daar genderbalanced taal voor maken, in plaats van er uitdrukking aan te geven alsof het het verschil tussen twee uitersten is? Uitdrukking geven aan verschillen op de apenrots zonder te stereotyperen? Dan kan ik mijn mannetje staan en toch heel gewoon een vrouwtje zijn? Lijkt me wel zo duidelijk.
 
Groet, Leike

ING in de war

4 oktober 2018


Beste Leike,

Las jij het interview met de commissaris Breukink van ING in de NRC van 3 oktober jl.? Hij beklaagde zich over de manier waarop politici over de bank heen vielen rond de witwasaffaire die werd geschikt voor 775 miljoen. Politici doen dit uit eigenbelang sprak deze hoeder van het algemeen belang (…) en commissaris bij de bank die we onlangs met belastinggeld moesten redden.

Ik vind het een interessante kwestie vanuit ons vak. Het OM schikt de zaak met de rechtspersoon ING en slaagt er niet in om strafrechtelijk door te pakken naar personen omdat niet duidelijk is wie verantwoordelijk is. Ook deze toezichthouder zelf weet niet waar zijn verantwoordelijkheid ligt. Op de vraag of hij zichzelf aanrekent wat er is misgegaan antwoord hij: “Dat vraag ik me al maanden af. Ik ben er nog niet uit. Je kunt bij ING zomaar zeven partijen noemen die mogelijk verantwoordelijkheid dragen als er iets niet goed is gegaan: de mensen bij de afdeling compliance, het management, het bestuur, de interne en de externe accountant, toezichthouders, en wij als commissarissen.”

Nog even los van de voorzet voor open doel dat deze redenering dan ook opgaat voor als er dingen wel goed gaan en dat dus een salarisverdubbeling bij CEO Ralph Hamers misschien toch geen goed idee was; ze weten niet wie waarvoor verantwoordelijk is! Alleen voor de winst blijkbaar?

Nou had ik al eens gehoord dat de ING zichzelf regelmatig op de borst roffelde vanwege het innovatieve Spotifymodel, dus zocht ik even op hoe ze dat zelf omschrijven op banken.nl. Luister en huiver: “Het Spotify organisatiemodel wordt internationaal als voorbeeld gezien voor een flexibele, innovatieve organisatie. Het organisatiemodel werkt op basis van autonome teams die ieder verantwoordelijk zijn voor een stukje van het totale eindproduct aan de klant. Ieder team – squads genoemd – hebben een duidelijke missie en een producteigenaar in plaats van een hiërarchische manager. Deze organisatiestructuur heeft Spotify in staat gesteld om – ondanks de exponentiele groei – haar aanpassingsvermogen en innovatiekracht te behouden.”

Kijk, de hiërarchische manager gaat bij het grote vuil. Die hebben we niet langer nodig. We hebben alleen nog missies en producteigenaren, en er zijn squads, tribes en chapters. Net als bij suspecte motorclubs.

Ben ik nu een oude aftandse lul Leike? Ben ik niet meer van deze tijd als ik denk dat een organogram waarin je kunt afleiden wie verantwoordelijkheid draagt voor wat wel een handig hulpmiddel is? Ben ik uitgerangeerd als ik denk dat het helpt om na te denken over de samenhang tussen taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden? Ben ik geheel verkalkt als ik denk dat verantwoordelijkheid van velen leidt tot onverantwoordelijkheid? En moet ik nodig met pensioen als ik denk dat een commissaris er is om toezicht te houden op de kwaliteit van het bestuur?

 

Zelf denk natuurlijk niet he? Zelf denk ik dat het OM gewoon de CEO moet vervolgen tenzij hij kan aantonen dat hij er niks mee te maken had. Ik denk bijvoorbeeld ook dat al die experimenten met zelfsturing en malle begrippen uit de motorbendewereld over een paar jaar zullen leiden tot een blozend wegkijken en hard roepen dat zij ook niet weten wie daarvoor verantwoordelijk was. Allemaal verhaaltjes om bezuinigingen goed te praten, nog meer inspanning te ontlokken aan medewerkers, de ratrace op te voeren. En dat met een sausje van democratisering, empowerment, autonomie en ultrasnel reageren op de markt.

En dan nog even terug naar de commissarissen. De mensen waarvan je verwacht dat ze sadder and wiser zijn. Dat ze tegen de bestuurder zeggen: “Zeg Ralph, kan jij je verantwoordelijkheid eigenlijk wel aan? Je maakt een modieuze zooi van een nette bank. Straks weten we niet eens meer wie op z’n donder moet krijgen als er iets misgaat. Maar hier ben jij verantwoordelijk voor. Dit jaar geen periodiek Ralph!”

 

Groet,  Jaap

 

 

 

 

Trinsieke motivatie

27 september 2018


Beste Leike,
 
Mooi, je pleidooi voor die extrensieke motivatie. Je beschrijft hoezeer we ons natuurlijk heel vaak laten leiden door onze omgeving in de dingen die we doen. En dat daar ook niks mis mee is. Organiseren en samenwerken gaat natuurlijk voortdurend om invloed op elkaar uitoefenen en kijken hoe je samen verder komt.
Ik vroeg me daarom af waar die nadruk op die intrinsieke motivatie in ons vak nu eigenlijk vandaan kwam. Mag ik proberen stukjes van de verklaring te geven?
Het neoliberalisme (VVD-er Klaas Dijkhof noemde dat overigens deze week een scheldwoord??) zet het individu centraal. Immers de homo-economicus maakt steeds individueel rationele keuzes en draagt zo bij aan de markt die alles eerlijk regelt. Kijk ook naar de manier waarop we allemaal onze eigen (individuele) keuzes maken als consument, hoe we ons pensioenstelsel willen individualiseren, hoe we zelf keuzes maken voor al dan niet groene energie, hoe we investeren in wegen voor individueel vervoer. De mens als autonoom wezen.
De jaren zestig. Ze brachten een culturele revolte teweeg die mensen losschudde uit vaste patronen die Nederland in de naoorlogse wederopbouw krachtig bijeenhield. De zuilen, verenigingsleven, rolpatronen, zuinigheid, gedrag en vlijt. Mensen emancipeerden en mochten steeds meer zichzelf worden. Allemaal mooie en unieke individuen.
In onze cultuur zijn we inmiddels als individu het schitterde centrum van de wereld. En met behulp van de postmoderne filosofen bouwen we ook nog onze eigen werkelijkheid.
Ja, waar moet dan motivatie vandaan komen? Van binnenuit natuurlijk! Gepassioneerde ontembare verlangens om ons bovenins Maslows piramide te ontplooien verwerkelijken in onze narcistische wereld.
Het is een ironische paradox als we ons realiseren dat al dat geïndividualiseerde verlangen vooral een weerslag is van een wereld die ons inpepert dat we op onszelf zijn teruggeworpen. Dat de nadruk op het individu een cultureel fenomeen is. Geert Hofstede die mooi vergelijkend onderzoek naar culturen deed, zag hoe onze Nederlandse cultuur en die van de Angelsaksen het individu een veel centralere plaats gaven dan de landen om ons heen waar de clan, de familie, de groep meer centraal stond.
 
Ik mocht ooit een discussie leiden over het vrijwillig levenseinde. Allemaal progressieve mensen die (net als ik) vonden dat het toch gek is dat dokters meer over je dood te zeggen lijken te hebben dan jijzelf. Ja mag toch zeker wel zelf bepalen of en wanneer je dood wilt? Interessant vond ik toen de inbreng van het Humanistisch verbond. Zij waren ook voor keuzevrijheid, maar niet die van het individu. Wel van het individu in samenspraak met zijn omgeving. Je komt niet alleen ter wereld, je gaat er ook niet alleen vanaf. Dat idee van fundamenteel niet alleen zijn, sprak me erg aan.
De fotografen Ari Versluis en Ellie Uyttenbroek maakten prachtige fotoseries die tonen hoezeer individuen in hun kleding zich steeds conformeren aan groepen. Dat kenmerkt ons mensen toch? Bij een groep willen horen en je er tegelijk van en in willen onderscheiden?
 
Zou het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie eigenlijk niet te simpel zijn? Ofwel vanbinnen, ofwel vanbuiten? Is het nou juist niet zo met alle betekeniscreatie dat het een voortdurend sociaal proces is waarin eigen impressies en onaffe ideeën schuren tegen die van anderen om gaandeweg tot (deels) gedeelde visies te komen? En zijn veel van onze oprecht individueel beleefde motieven niet een weerslag van de cultuur waarin we zijn opgesloten? Schrijf ik dit stukje omdat ik dat zo graag wil? Of omdat we hebben afgesproken elkaar regelmatig te schrijven? Ik denk eigenlijk dat ik tot het schrijven van deze ‘beste Leike’ trinsiek gemotiveerd was.
 
Groet, Jaap

Extrensieke motivatie

18 september 2018


Beste Jaap,
 
Mooi anti-SMART-pleidooi was dat. Helemaal eens. Precies waarom SMART niet werkt. We hebben meer van dit soort toverwoorden die niet werken.
Ik fulmineerde op deze plek al eerder tegen de zo wonderlijke focus op intrinsieke motivatie bij verandering. Een geplande verandering is voor medewerkers een extrinsiek gegeven, hoezo moet je daar intrinsiek gemotiveerd voor zijn? Ik vind het een soort veranderkundige luiheid. Maar goed, daar schreef ik al eens over.
In dit blog wil ik niet een pleidooi houden tegen, maar juist voor iets. Ik wil de schijnwerper zetten op extrinsieke motivatie. Ook extrinsieke motivatie is immers een vorm van motivatie. Wat mij betreft een heel belangrijke en onderschatte vorm. Een heel veel gebruikte ook. Zal ik je wat voorbeelden geven?
 
Mijn belastingpapieren invullen? Doe ik uit extrinsieke motivatie, omdat we hebben afgesproken met elkaar dat we dat doen en omdat er een autoriteit is die dat handhaaft. Mijn huis schoonmaken: extrinsieke motivatie. Het wordt namelijk anders zo’n bende. Naar de tandarts? Extrinsieke motivatie. ’s Morgens om zes uur mijn bed uit? Naar de sportschool? Plastic afval gescheiden aanleveren? Niet door rood rijden (en ook niet door heel donker oranje)?
Moet ik nog doorgaan?
Het mooie is: het is allemaal motivatie. Ik doe het allemaal netjes. Ben ervoor gemotiveerd. Maar niet intrinsiek. Het is niet diep van binnen mijn grootste wens. Het is gewoon handig, nodig, afspraak, gemakkelijk, verstandig.
 
Volgens mij moeten we erkennen dat we in verandering veel vaker en makkelijker mensen kunnen uitnodigen om die extrinsieke motivatie te gebruiken, dan dat we ze steeds maar uitnodigen om intrinsiek gemotiveerd te raken. Neem bijvoorbeeld veranderingen die zaken betreffen die medewerkers als ‘corvee’ zien: van die dingen die je er ook nog bij moet doen, terwijl je je werk aan het doen bent. Dat wordt nooit leuk, laat staan dat je er intrinsiek voor gemotiveerd raakt. Wat zou het heerlijk zijn als we dat met elkaar zouden onderkennen en de verandering er ook op zouden vormgeven.
Precies hetzelfde voor mensen die die verandering niet meteen zien zitten. Dat kan. Dat mag. Maar ja, het moet ook. Dus benut extrinsieke motivatie om mee invulling te geven aan de verandering. Dan went het vanzelf. Heerlijk toch? Niet eerst in jezelf zitten zoeken naar je intrinsieke motivatie, gewoon extrinsiek gemotiveerd die verandering in. Niks mis mee.
En voor iedereen die nu denkt dat het over externe druk of dwang gaat: da’s precies de valkuil die ik bedoel, precies de blinde vlek waar dit over gaat. Extrinsieke motivatie is motivatie. Als je denkt dat het over druk of dwang gaat, druk je niet op de motivatieknop, maar duw je vanuit je eigen wens door. Dat heeft niks met motivatie te maken.
Natuurlijk is er een tegen-kant: als je op de verkeerde extrinsieke knoppen drukt, krijg je geen externe motivatie, en kan intrinsieke motivatie zelfs verdwijnen.
 
Waar het mij om gaat, is dat we erkennen dat heel veel gebeurt omdat er een andere motivator is dan de intrinsieke. Zullen we die extrinsieke motivatie weer een plek geven in organisatieverandering? Dan kunnen we namen ook zoeken hoe we mensen kunnen ondersteunen om die extrinsieke motivatie in te zetten. Scheelt volgens mij heel veel energie. Die je toch maar mooi voor andere dingen kunt gebruiken.
 
Groet, Leike
 

Is SMART wel slim?

2 september 2018


Beste Leike,
 
Je weet dat ik al lang een hekel heb aan SMART-doelstellingen. Zo’n vreselijk acroniem waar de begrippen gezocht lijken bij een leuk catchy begrip. SMART of zoals wij zouden zeggen slim, dat is toch altijd een goed idee? Wie is er nou tegen slimme of smart-doelstellingen?
Ik dus.
Het lastige was, dat ik nooit goed kon uitleggen waarom ik zo ging steigeren van dat SMART. Ik kwam meestal met nogal onbeholpen verklaringen. Want ook bij mij gaat de conclusie vaak aan de onderbouwing vooraf.
Maar ik heb het te pakken. Ik weet nu waarom ik vind wat ik eerder ook al vond.
Wikipedia zegt dit over SMART: “De letters van SMART staan voor:[4]
·      Specifiek – Is de doelstelling eenduidig?
·      Meetbaar – Onder welke (meetbare/observeerbare) voorwaarden of vorm is het doel bereikt?
·      Acceptabel – Zijn deze doelen acceptabel voor de doelgroep en/of het management?
·      Realistisch – Is het doel haalbaar?
·      Tijdgebonden – Wanneer (in de tijd) moet het doel bereikt zijn?
 
De supporters van SMART hebben er een bedoeling mee. Zij menen dat het helpt om heel concreet te omschrijven waar je uit wilt komen in bijvoorbeeld je werk, een verandering of een project. Hoe beter je dat lukt, hoe beter je op koers blijft en uitkomt waar je uit wilt komen. En soms is dat ook heel handig. Bijvoorbeeld  
als je een aannemer vraagt voor een verbouwing. Dan weet je precies dat het alleen de zolderkamer betreft, hoe groot de dakkapel moet worden en heb je ingeschat of de aannemer vakbekwaam is. Je hebt een duidelijke prijs afgesproken en dat het werk 1 oktober klaar moet zijn. Het zijn afspraken waar je elkaar aan kunt houden. Heel overzichtelijk.
Mijn bezwaar is dat SMART ook soms met het grootste gemak gebuikt wordt om sociale processen zoals veranderingen van gedrag en cultuur te sturen. Ik dacht, laat ik dat dan ook maar SMART formuleren:
·      Statisch. Er wordt een doel vastgesteld dat vooraf precies gekend kan worden. Het woord vast-stellen duidt het eigenlijk al aan. Een onbeweeglijk einddoel, dat bereikt worden ongeacht wat je ondertussen te weten komt.
·      Maakbaar. De onderliggende gedachte is die van de maakbare wereld. De omnipotente maker krijgt precies voor elkaar wat ie vooraf heeft bedacht. En zet dat ook door, ook als anderen daar andere opvattingen over hebben. Ingenieursdenken is zinvol in de stoffelijke wereld, in het sociale domein lukt het vaak niet.
·      Aspectgericht. Het project is vaak gericht op een deel van een groter geheel. Daarop ligt de focus. We gaan dat stukje aanpakken. Daar zit ook vaak precies het probleem. De systemische samenhang van het bedoelde aspect met andere onderdelen wordt onderschat en gaandeweg kom je erachter dat het deel zich helemaal niet zomaar laat veranderen zonder het geheel te betrekken.
·      Rigide. De kern van het SMART plannen is dat het strakke doel richting geeft aan de acties. En precies dat maakt dat je -voor je het weet- meer bezig bent met het afvinken van historische bedoelingen dan met beoordeling van wat nu adequaat zou zijn. Met de SMART-doelstelling heb je taal gemaakt waardoor je elkaar bindt aan abstracties die niet altijd meer passen op de concrete actualiteit.
·      Theoretisch. Yogi Berra zei ooit: “In theorie komen praktijk en theorie overeen, in de praktijk niet.” Ook daar wringt het. De doelen zijn theoretische doelen, vaak keurig verantwoordbaar geformuleerd. Goed over nagedacht en theoretisch in orde. Maar in plaats van dat je een theorie zoekt om een praktijk te verklaren, gebruik je nu een theorie om de praktijk naar je hand te zetten. Als de praktijk zich niet aan de theorie houdt, jammer voor de praktijk.
 
Zo’n acroniem helpt wel om je gedachten te ordenen, maar wat doe je als een letter mist?  Ik zou graag nog de letter N van Naief toevoegen, maar ja dat past er niet in…
 
Groet, Jaap
 

Zomergast Marleen Stikker

17 augustus 2018


Beste Leike,
 
Heb jij Marleen Stikker als ‘Zomergast’ gezien? Ik was er blij mee, interessante dame en prachtfragmenten!
Ik begon met een beetje scepsis te kijken. Eerder had ik Romana Vreede na een uurtje uitgezet omdat ik het gevoel kreeg dat ze alles acteerde, dat ze gewoon niet anders kon, zelfs als ze het wilde. Het werd me daarom te gepolijst, te perfect. Zij heeft natuurlijk geleerd om zich zo uit te drukken dat je het achter in een grote zaal ook nog ziet, maar met een camera op twee meter afstand vond ik het gewoon te veel.
De week erna was Louis van Gaal. Die wilde alleen maar over zichzelf vertellen, vindt zichzelf een heel bijzondere man. En passant liet hij bovendien zien wat een detaillist hij is; als de interviewer iets zei dat niet helemaal correct was, werd zij steeds verbeterd. Ongeacht de vraag of dat ook relevant was. Het kwam maar niet tot iets wat lijkt op dialoog. En dan liet Van Gaal ook nog fragmenten zien van films of programma’s die hij niet eens helemaal gezien had. Dat vond deze zelffeliciteerder niet noodzakelijk voor het illustreren van zijn tegeltjeswijsheden. Het leek me wel congruent om hem niet uit te kijken en er toch een mening over te hebben.
Dus toen Marleen Stikker afgelopen zondag uit de startblokken kwam, hield ik mijn hart vast. Ze was overduidelijk zenuwachtig, loensde een beetje waardoor je niet goed wist waar ze nu naar keek en ze was in aanvang nogal stuurs. Er kon in het begin geen glimlach af….

En toen kwamen de fragmenten! Stuk voor stuk prachtige illustraties voor haar enorm genuanceerd kritische en eigenzinnige denken. Je zag dat Janine Abbring er ook steeds meer zin in kreeg en er ontstond een Zomergasten zoals het bedoeld is: een boeiende gast die beelden laat zien die indruk maken, en dan ook nog in samenhang. En een spannend onderzoekend gesprek.
Marleen Stikker nam me ook voor zich in omdat ze Robert Musils De man zonder eigenschappen gelezen had. Het prachtboek waarin Musil laat zien dat werkelijkheidszin nuttig is, maar dat mogelijkheidszin enorme ruimte biedt. Dit inzicht hielp ons om in Onomkeerbaar de werkelijke wereld en de wenselijke wereld te verbinden door de mogelijke wereld.
Ook Stikker noemt zich een mogelijkhedenmens. Realistische analyses over wat er allemaal niet deugt, maar ook steeds ideeën over hoe je het toch weer beter kunt maken.
Het meeste indruk op mij, maakte een documentaire van Adam Curtis. Je zag een zaaltje waar mensen met een apparaatje een groen of rood signaal konden geven. Met dat signaal beïnvloedde je het spelletje ‘Pong’. Je weet wel, een soort primitief tennis met een balletje dat op en neer springt tussen twee bewegende schuiven. Met rood bewoog de schuif omhoog en met groen omlaag. Gaandeweg leerde de zaal hoe ze samen de schuiven zo konden bedienen dat ze als collectief het spel konden spelen. Ze leerden dit zonder overleg, puur door het te proberen, learning by doing.
De pioniers van Silicon Valley trokken hieruit de conclusie dat individuen door middel van internet konden komen tot een hiërarchieloze samenleving. Als het individu maar in contact met anderen staat en zo feedback op zijn eigen handelen krijgt, krijg je vanzelf optimale collectieve resultaten. Het sloot aan op het in Amerika zo populaire denken van Ayn Rand die egoïsme als deugd ziet en compassie als zwakte[1]. Zo paste het ook perfect in de neoliberale agenda waarin de markt het ordenend principe is voor de relaties tussen de individuen, die immers allen vooral op eigenbelang uit zijn.
Marleen Stikker laat mooi zien dat je het experiment ook heel anders kunt uitleggen. De mensen in de zaal werken samen, ze stemmen hun gedrag op elkaar af, ze leren van elkaar. Zo spelen ze een onbaatzuchtig spel. We zijn dus juist sociale wezens die met elkaar dingen mogelijk maken. Niet als individu, maar in relatie met elkaar. En waarschijnlijk snappen we nog niet half hoe we ons, met onder meer spiegelneuronen, voortdurend op elkaar afstemmen. Dat doen we voor een deel door te institutionaliseren: het geleerde verankeren in toekomstig handelen. Maar ook door rollen te verdelen en afspraken te maken. Door ruzie te maken en grenzen te stellen. Neem nu een organisatie, dat is toch heel veel meer dan een serie losse individuen?
 
Groet, Jaap

 [1] Nog even een voetnoot over Ayn Rand:  In The Virtue of Selfishness schrijft ze: “Als mensen dingen als vriendschap en familiebanden boven hun eigen productieve werk stellen, ja, dan zijn ze immoreel. Vriendschap, familieleven en menselijke relaties zijn niet primair in een mensenleven. Een man die anderen voorrang geeft, boven zijn eigen creatieve werk, is een emotionele parasiet.”

 

Heimwee

13 augustus 2018


Beste Jaap,

Vandaag schreef ik aan ons nieuwe boek over onmacht. Ik schreef over verandering van systeemregimes, hoe ingewikkeld dat verloopt en hoeveel onmacht dat met zich meebrengt. Op twee manieren. Het bestaande regime en de overtuigingen en waarden die daarbij horen, komt onder druk te staan door de ontwikkeling van een nieuw regime. We moeten loslaten wat vertrouwd voor ons was. Tegelijkertijd, het nieuwe regime is nog broos en vooral een idee en moet zich nog ontwikkelen en krijgt dus (nog) niet veel ruimte. Maar we weten helemaal nog niet hoe dat nieuwe moet, dat moeten we nog ontdekken.

Kortom, onmacht naar twee kanten.

 

Ik heb flink op die tekst zitten puzzelen. Het was best een klusje om dat goed op te schrijven. Dus eind van de middag mocht ik lekker buizen. Ik viel in een aflevering van Anthony Bourdains Parts unknown. Wellicht ken je hem niet, maar Bourdain was (hij is onlangs overleden) een beetje ruige, onaangepaste chefkok die over de wereld reisde om de culinaire wereld in andere landen zichtbaar te maken. Niet de mooie kant, maar de ruige kant. Heel mooie serie.

Het was de aflevering dat hij samen met Obama in Hanoi een kom noodles eet. Samen in een stalletje, met een biertje, kletsend over Vietman, reizen, eten en de wereld.

 

Ach, wat had ik toen ineens heimwee naar deze Amerikaanse president! Wat een toegankelijke man! Wat een gemak om zich in werelden te begeven die anders zijn dan Amerika (logisch ook wel als je woonde in onder andere Indonesië en Kenia). Wat een vermogen om te verbinden met verschillende mensen, om belangstellend te zijn en jezelf niet te groot te maken. Ik zat serieus met tranen in mijn ogen.

Ineens voelde ik in mezelf die onmacht van een regimeverandering. De wens om wat er was te houden. Ik wil het niet, dat nieuwe ‘ik ben de machtigste en de sterkste dus ze moeten me bewonderen en ik leg hen mijn wil op’-regime. Ik voel me onmachtig als ik zie wat er door dat gedrag in de wereld gebeurt, hoe leiders met zo’n houding op het podium gehesen worden alsof het normaal is, hoe in Europa gezocht wordt hoe hierop te antwoorden. Ik word boos als ik zie dat extreemrechts achter het Witte Huis demonstreert alsof ze door de president zelf gelegitimeerd zijn. Ik wil het niet.

 

Ik weet heus wel dat ik me ertoe zal moeten verhouden. Het is een regime dat in onze samenleving al aanwezig was, maar dat dankzij Trump nu aan kracht gewonnen heeft en wint, dat is nou eenmaal zo. Jij zei het in jouw brief al toen je schreef dat alles een transactie aan het worden is. Maar mag ik het oude regime terug? Het regime van met elkaar praten, je realiseren dat we in de wereld spanningen op moeten lossen door te praten, door de hand te reiken en toenadering te zoeken? Mag dat?

Maar het kan niet hè? Je kop in het zand steken is geen oplossing.

 

Ik vind het interessant en schrijnend om te zien hoe de hele wereld zoekt wat een goede manier van reageren is, wat je aan tegenkracht kunt organiseren en hoe je moet meebewegen. Het zijn interessante tijden. Maar ook tijden van onmacht. De antwoorden op dit machtsvertoon zijn er nog niet, er moet nog worden uitgevonden wat werkt. Er moet nog worden gezocht naar wat behouden kan worden uit het vorige regime.

 

De onmacht over wat er nu gebeurt zal wel afnemen naarmate de wereld  beter begrijpt hoe hier tegenwicht aan te geven. Maar toch, mag dat oude regime behouden blijven? Ik vind de wereld die daarbij hoort leuker. En die president die daarbij hoorde ook.

 

Groet, Leike

 

 

Zomer

8 augustus 2018


Beste Jaap,

De mussen vallen dood van het dak, zo warm is het op dit moment. Ik ben vrij. Wat een enorm pluspunt is bij deze hitte. Want van heel veel komt het op dit moment niet.

’s Morgens zit ik lekker in de schaduw in de tuin, oogst de rijpe vijgen, kijk hoe elke dag de druiven blauwer worden en hoe de blauwe druif nog steeds bloeit. Die warmte heeft zijn voordelen.

 

Mijn bramen pluk ik niet. Die zijn het domein van de vogels. Met name een jonge Vlaamse gaai heeft er de zang op. Gaaien zijn rovers. Rotbeesten eigenlijk, die niet aarzelen om de cake van je bord te jatten als je buiten koffie drinkt. Maar deze jonge gaai heeft nog de motoriek van een kind dat bij de F-jes speelt. Trouwens, ook het gebrek aan concentratie. Heel doelgericht vliegt hij naar de braamstruik, om vervolgens er net voor te landen, om zich heen te kijken en afgeleid te raken door een van de phloxen. Want die bewegen. In die richting hippend, bedenkt hij ineens dat hij voor de braam kwam, doet een poging om ernaartoe te vliegen, maar komt in de rozenstruik terecht. Om vervolgens op het dak van de schuur te landen en hard om zijn ouders te krijsen. Die natuurlijk niet komen, want het beest moet zijn eigen eten bij elkaar zien te scharrelen. Je kunt als ouders niet aan de gang blijven. Waarna zoonlief vervolgens de braamstruik weer ontdekt.

 

De vijgen oogst ik wel. Normaal moet ik het gevecht met de merels aan. Ze ruiken te lekker, dus zij hebben het eerder in de gaten dat ze rijp zijn dan ik. Maar dit jaar niet. Dit jaar is het het domein van een muisje. Een schatje. Komt over het muurtje van de buren geklommen, kruipt de boom in en begint gezellig aan zo’n rijpe vijg te knabbelen. Echt, ik word een sentimentele zak gelei van dit weer. Ik zou dat beest natuurlijk met een boos gebaar weg moet jagen, maar ik doe het niet. Ik probeer met haar af te spreken dat ze niet naar binnen mag. Dat buiten ok is. En vijgen bietsen ook. Maar in de winter bij mij binnen nestelen niet.

Zal wel niet helpen.

 

Laat in de avond loop ik nog een rondje door de stad. Soms dwars door het centrum waar het heel gemoedelijk is. Het is het tijdstip dat de restaurants nog vol zitten, maar de kroegen nog niet. Dat de pizzakoeriers hun deuren dicht doen, en de snackbars net open gaan maar nog geen dronken clientèle hebben. Soms loop ik door de buitenwijken en de parken. Waar mensen nog lekker met elkaar zitten te kletsen, op een stoepje of op een kleedje. Vaak loop ik even langs de mooiste gevelsteen van Utrecht: de bewegende uil. Of het feeënpaadje van het Janskerkhof, waar belletjes rinkelen als je er langs loopt. Om vervolgens iets afgekoeld thuis weer even in de tuin door te brengen. Nu samen met de muggen.

 

Zo breng ik mijn dagen door. Over twee weken begint het gewone leven weer. Ik kan me er even nog helemaal niks bij voorstellen. En waar heb ik mijn auto het laatst ook alweer geparkeerd?

 

Groet, Leike

Organisatievragen