Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Mozaiekjes maken

19 februari 2018


Beste Leike,

 

Mijn vriend Rob heeft een huis met een enorme tuin. Daarin staan heel veel bomen. Ook dode. Bomen die hij zelf zaagt en klieft. Met enige regelmaat haal ik een karretje met openhaardhout bij hem op. Het hout is divers: beuken, berken, acacia’s, kastanjes en af en toe wat eik. Het maaltje dat ik bij hem haal is daarom altijd wat ongesorteerd. Als ik het in het houthok leg, is het een feestelijk rommeltje. Maar ik krijg het altijd wel een soort van passend en het ziet er altijd mooi uit.

 

Toen ik een dezer dagen het houthok vulde, realiseerde ik me opeens dat ik, terwijl ik stapel, steeds bezig ben stukjes een beetje zo te plaatsen dat ik maximaal de ruimte gebruik. Als in een mozaiek.

Wij gebruiken graag het woord ‘prutsen’ als wij het hebben over de concrete arbeid die nodig is voor organiseren of veranderen. Passen en meten, vallen en opstaan. Een iteratief proces met successen en mislukkingen. Sommigen gebruiken daarvoor het woord ‘puzzelen’.  Want ook dat is proefondervindelijk kijken of iets past. Maar puzzelen is toch wat anders dan prutsen. Puzzelen is een oplosssing vinden die iemand anders al bedacht had. De puzzelmaker heeft de oplossing, hakt die in stukjes en schudt ze zo dat jij een regenachtige zondagmiddag de verveling kunt verdrijven. Ook als ze sudoku, kruiswoord of cryptogram heten. Een puzzel klopt altijd en kent maar één goede oplossing.

Zo niet met de houtblokken. Die zijn niet prefab, maar gevormd door moeder natuur en de haktechniek van mijn vriend Rob. Met een houtblokkenmozaiek is de creativiteit van de maker de maat. Een mozaiekje maken past daarom veel beter bij het proces van organiseren dan puzzelen. Ons ‘organiseren als prutsen’ is dus eigenlijk vooral mozaiekjes maken. Je hebt altijd een resultaat, meer of minder efficient en meer of minder esthetisch.

En ja, net als met organiseren blijf je soms ook nog met iets zitten dat gewoon niet past. Dat krijgt dan een andere bestemming…

 

Groet, Jaap

Leren op school?

4 februari 2018


Beste Leike,

Ik mocht een workshop over veranderen verzorgen voor een conglomeraat van middelbare scholen. In de voorbespreking bleek dat er een plan lag waarin de gewenste verandering, de wenselijke wereld omschreven werd. Goede teksten, mooie plaatjes. Het was een gedragen vergezicht, velen waren het er erg mee eens … maar de beweging naar die gewenste wereld lukte niet zo goed.

Dus spraken we af niet zozeer aandacht te besteden aan die wenselijke wereld, maar om met name de werkelijke wereld eens goed te verkennen. Als je die niet snapt, is hij ook moeilijk te veranderen. Een verandering in een bestaande organisatie is immers meer een verbouwing dan een sloop- nieuwbouwproces. Je werkt in en aan iets dat al bestaat. Als je niet weet hoe dat precies in elkaar zit, is veranderen lastig.

Ik toetste datzelfde voorgesprek ook wat indrukken die ik eerder van onderwijsorganisaties opdeed. Die beelden konden rekenen op herkenning en we spraken af ook daar wat mee te doen.

 

Mijn beelden? Ik zie in onderwijsorganisaties twee nogal basale belemmeringen voor verandering. De eerste is dat – in tegenstelling tot andere professionele beroepen – in het onderwijs mensen elkaar heel weinig in actie zien. Wetenschappers reviewen elkaars publicaties, advocaten werken vaak in teams, rechters overleggen in meervoudige kamers, jij en ik doen graag samen projecten (ook met andere collega’s), architecten zien elkaars werk, dokters consulteren elkaar en komen vakgenoten tegen in patiëntenbesprekingen of in de operatiekamer. Maar docenten schitteren vaak in afzondering, in hun klas met hun eigen leerlingen. Ze zien elkaar slechts sporadisch lesgeven.

Als je elkaar niet aan het werk ziet, is het ook lastig om over je gedrag en dat van collega’s te praten. Hoe weet je eigenlijk of je het goed doet, als je daar nooit concrete feedback op krijgt? Hoe kun je leren van anderen, als je hen niet werkend meemaakt? En zonder die mogelijkheden: hoe kun je dan met elkaar stappen zetten naar een mooie toekomst?

Mijn tweede beeld heeft te maken met het feit dat veel onderwijs in de kern nog steeds op kennisoverdracht is gebaseerd. De docent draagt iets van zijn enorme kennisvoorsprong over op de leerlingen die voor het examen willen slagen waarin die kennis getoetst wordt. Hartstikke logisch. Dat goed getrainde vermogen van docenten om kennis over te dragen, wordt ook zichtbaar buiten de klas. Overleggen bijvoorbeeld krijgen vaak het karakter van elkaar lesgeven. Heb je elkaar begrepen, is het overleg ook klaar. Maar voor verandering is dat te mager. Veranderen eindigt niet met begrip van een wenselijke wereld, maar start daarmee en heeft dan nog een lange weg van keuzes en ontwikkeling te gaan.

 

Die ochtend legde ik de schoolleiders mijn beelden voor. Er was veel instemming en herkenning. Daarna hebben we de bestaande wereld in kaart gebracht, en gekeken wat er al veranderend behouden moest blijven, omdat het zonde zou zijn succesvolle kinderen met het badwater weg te gooien. Het gaf inzicht dat het waardevol is om niet alleen over Ist en Soll te denken, maar ook over Bleibt. Dat geeft niet alleen meer focus voor de veranderaar, maar het neemt ook anderen makkelijker mee als je weet dat heel veel lekker op zijn plaats blijft.

Ik vertrok goedgemutst, ze waren een slagje verder en ze zouden die middag nog met collega’s verderwerken.

 

De kwartjes vielen bij mij pas toen ik in de auto stapte. Was het wel zo goed gegaan?

Er was veel instemming over mijn beelden en over de waarde van de werkelijke wereld, maar eigenlijk kende niemand die werkelijke wereld echt. Het waren vooral teksten als: ”Het is een veilige school en dat willen we zo houden”. Maar op de vraag hoe ze dat dan deden, een veilige school maken, vielen vooral stiltes. Rijke beschrijvingen van hoe het echt werkte op hun school, bleven uit.

Kreeg ik hier nou precies weerspiegeld wat ik al eerder zag? Dat ook deze schoolleiders geen zicht hadden op hoe het in hun school echt werkte? Dat ze daarom in algemeenheden bleven hangen? Het was alsof ze op de gang het gesprek voeren over wat achter de gesloten deur van het klaslokaal plaatsvindt…

Een van hun voornemens was om geen nieuwe scholen meer te bouwen met reeksen klaslokalen, maar juist meer leren buiten klaslokalen te laten plaatsvinden. Dit op basis van mooie pedagogische en didactische redenen. Maar het schept ook ruimte voor docenten om meer samen te werken en om elkaar aan het werk te zien. Dat geeft een voedingsbodem voor meer natuurlijke en informele feedback en professionalisering. Misschien is juist wel dat de belangrijkste voorwaarde om hun betekenisgevingsmotor goed op gang te krijgen en komt het realiseren van verandering zo makkelijker en beter tot stand.

 

Groet, Jaap

Omgekeerde wereld

24 januari 2018


Beste Jaap,

Je noemt Peter van Straten en Siegried Woldhek in reactie op mijn blog over karikaturen, maar als er twee illustratoren GEEN karikaturen tekenen, dan zijn het deze twee wel. Zij zijn in staat tot een grote mate van non-karikaturaal typeren. Heel knap, zoveel nuance in een paar pennenstreken.

Over karikaturen gesproken. Ik moet even wat aan je kwijt over de (rijks)overheid. Je weet wel, die sector die vindt dat het burgers gemakkelijker gemaakt moet worden, met minder regels en zo.

Enige tijd geleden zijn al die overheden (en andere non-profit-organisaties) overgegaan op elektronisch factureren. In principe een hartstikke handig middel om het jezelf en je debi- en crediteuren makkelijk te maken. Maar niet bij de overheid. Ze verplaatsen gewoon (de verantwoordelijkheid voor) hun administratie naar jou, terwijl zij bepalen hoe je die voert.

 

Op de eerste plaats hebben ze die electronisering gekoppeld aan leveringsvoorwaarden. Niet die van de leverancier, maar van hen. Leveringsvoorwaarden die die van de leverancier buiten werking stellen. Wil je een betalingstermijn van 14 dagen hanteren als leverancier? Jammer dan, de overheid hanteert een termijn van 30 dagen.

Op de tweede plaats ben jij verantwoordelijk geworden voor het ordernummer. Heb je zelf ordernummers, jammer dan, je moet die van hen hebben. Zonder hun ordernummer ben je onherkenbaar in de administratie en kan de factuur niet in behandeling genomen worden. Meestal krijg ik niet spontaan zo’n nummer. Dus ga ik er zelf achteraan voordat ik mijn factuur verstuur. (Verstuur je je factuur zonder ordernummer, krijg je hem na zo’n dag of dertig retour).

 

Vervolgens mag ik mijn factuur naar een speciaal voor de factuur bedoeld e-mailadres sturen. Per kerende post krijg ik dan een no-reply-antwoord waarin staat waar mijn factuur allemaal aan moet voldoen. Doet mijn factuur dat niet, dan kan deze niet in behandeling genomen worden.

Doe je toch iets verkeerd, en wil je dat herstellen, wens ik iedereen veel succes, want zo’n e-mailadres is een soort black box waar je factuur in verdwijnt. Niemand die je vervolgens helpt om bij degene te komen die die fout kan herstellen. Iets fout gedaan? Duimen maar dat het goed komt.

 

Hier ben ik allemaal al aan gewend, maar het mooiste overkwam me een paar weken geleden. Ik had keurig mijn factuur, met ordernummer, naar het betreffende e-mailadres gestuurd. Vervolgens kreeg ik na een paar weken een mailtje of ik een creditnota kon sturen. Zonder uitleg.

Dan maar bellen waarom dat moest. Nou, dat zat zo. Ik had met mijn opdrachtgever – die dus in die organisatie werkt – afgesproken dat vooraf betaald zou worden. Maar in de leveringsvoorwaarden van deze organisatie staat dat ze alleen betalen na levering van de dienst. Dus mijn factuur was te vroeg verstuurd.

Ik probeerde het nog klantvriendelijk en praktisch op te lossen: ‘Nou, prima, dan hou ik rekening met late betaling en dan betalen jullie achteraf.’ Maar zo makkelijk ging dat niet. Want zij moeten facturen binnen dertig dagen betalen en een te laat betaalde factuur staat niet goed in de prestatierapportage.

Voor mij betekent het extra administratief gedoe met creditnota’s voor iets waar ik geen fout gemaakt heb, om een quasifout van hen te voorkomen.

 

Dat is al maf, maar het werd nog ietsje erger. Ik sprak af dat ik een creditnota zou sturen als ik van hen een opdrachtbevestiging kreeg. (Ik ga daar een beetje een creditnota sturen zonder de bevestiging dat ik later alsnog betaald zou krijgen!) Een week later werd ik gebeld. Door een andere afdeling natuurlijk. Of ik die creditnota al gestuurd had?

Nee dus, want ik had die opdrachtbevestiging nog niet. Van die afspraak wist deze dame niets af. Of ik dan alsnog een keer achter degene aan wilde mailen/bellen met wie ik die afspraak gemaakt had. Ze moesten die creditnota namelijk wel snel hebben. De administratie moet namelijk voor de jaarafsluiting sluitend zijn.

 

En zo ben ik verzeild geraakt in de ingewikkelde administratie, met leveringsvoorwaarden, van een organisatie aan wie ik een dienst geleverd heb. Volgens mij heb ik nu een claim op hen. Maar ze gedragen zich alsof ze me een gunst verlenen. We willen een transformatie van de overheid, maar dit is de omgekeerde wereld.

Groet, Leike

 

Improvisatie in de modder

13 januari 2018


Beste Leike,

Karikaturen zijn inderdaad lastig. Het slaat mensen plat tot een eendimensionaal plaatje.

Hoewel…. Als je kijkt naar de strips van Peter van Straaten opent zich voor mij bijna steeds een klein dramaatje, een verhouding waar meerdere lagen in naar voren komen. Tekstjes die niet alleen naar inhoud verwijzen, maar ook naar weemoedigheid, onmacht, chagrijn, verlangen of frustratie. Of maakt Peter van Straaten geen karikaturen? Siegfried Woldhek dan? Zijn schrijvers en politici? Dat zou je toch karikaturen kunnen noemen. Iemands gezicht zo getekend dat ook zijn denken, overtuigingen of talenten zichtbaar worden. Gelaagde plaatjes.

Dat is het ingewikkelde he? Dat je aan bijna alles nuance en diepgang kunt geven.

En dat terwijl jij in je blogje aan mij nu juist het begrip karikatuur wilde gebruiken als de wijze waarop mensen elkaar eendimensionaal karakteriseren in eenduidige oneliners.

Maar ik ben het wel geweldig met je eens. Je kunt je eigenlijk niet verhouden tot een platte eendimensionale figuur. Dat slaat dood, dat wordt een ding. Daarom zie je ook dat in de betere romans karakters juist veel dimensies hebben: tegenstrijdige gevoelens, aangename en minder aangename kanten, onvervulde verlangens, verlegen overmoedigheid, trage paniek of uit angst voortkomende moed. Daarom zie je in mooie schilderijen een raadselachtige glimlach of een meisje dat een brief leest waarbij je fantaseert wat erin staat. Daarom luister ik nu al een week gefascineerd naar CD-tjes van Ernst Reijseger die met twee anderen raadselachtige muziek maakt waarin ik Afrikaanse klanken hoor, maar ook improvisatiejazz, minimal music, rauwe en iele stemmen en ander knutselwerk. Wat een lagen en wat een speelplezier hoor je daar!

En hoe leuk is het niet om samen met collega’s ook te werken aan nooit affe dingen. Je eigen professionaliteit, een klant die wat met je opschiet, een nieuw boek op stapel, een groep cursisten waar de muntjes vallen of een ontstroeft conflict. Altijd gelaagde, ingewikkelde vraagstukken, gepuzzel en gemodder, improvisatie en reflectie.

Zo ben ik ook heel benieuwd hoe het straks zal gaan met de Ambachtsschool voor Organiseren en Veranderen. De pret alleen al om met hele slimme, leuke en natuurlijk erg eigenwijze collega’s samen iets nieuws te beginnen. Het zoeken naar de vorm, het bedenken van inhoud, het prutten met een website. Benieuwd of het ons lukt ook anderen aan te spreken met het aanbod. Of anderen herkennen dat we enorm verschillend zijn en tegelijk veel delen. En of het ons lukt nu en dan samen met klanten en collega’s weer nieuwe inhoud te bakken, anderen op weg te helpen en ons veranderrepertoire verder te veranderen.

We zeggen weleens dat we graag met onze poten in de modder staan. Dat we met plezier prutsen in de onvolmaakte wereld van alledag. Dat we het menselijk tekort als vertrekpunt in denken en handelen nemen. Ook dat van onszelf.

Of maken we dan van onszelf een karikatuur?

Groet, Jaap

De karikatuurbenadering

30 december 2017


Beste Jaap,

Ik ben het helemaal met je eens, een beetje minder in de overtuigstand is relaxter en leuker. Maar dat geldt niet alleen die overtuigers. Ik word er in ieder geval zelf ook een stuk leuker van als ik niet zo’n hypertype tegenover me heb. Omdat ik het gevoel heb dat ik meer mezelf mag zijn en niet onmiddellijk – en graag ook perfect – aan andermans hijgerige, inspirerende, overtuigende verwachtingen hoef te voldoen. Ik kan me zo voorstellen dat als ik dat heb, dan heel veel andere mensen dat ook hebben.

 

Jij schreef hoe we de prutterige werkelijkheid in de overtuigstand versimpelen. Ik denk dat het eigenlijk nog wat erger is. Ik denk dat we steeds minder goed met prutterige werkelijkheden om kunnen gaan. We willen prototypische werelden die snel en makkelijk communiceerbaar zijn. We maken een karikatuur van de wereld om ons heen. Ik vraag me zelfs af of er niet sprake is van een hele benadering: de karikatuurbenadering.

 

Hoe vaak worden mensen in de media niet karikaturaal geportretteerd? Vrijwel iedereen die nieuws is (Baudet in het bijzonder, maar die is ook een karikatuur van zichzelf) moet passen in een frame en het niet te ingewikkeld maken. Is er iets aan de hand, dan moet het in een oneliner geduid kunnen worden. Betrokkenen moeten niet teveel tegengestelde eigenschappen vertonen want dan past het niet meer in het beeld dat wordt neergezet. Als je iemand nuance ziet aanbrengen, dan springen journalisten daar bovenop met kritische vragen die passen in het frame dat ze willen neerzetten. Sterker nog, het frame bepaalt vaak de vragen die de journalist stelt!

Wij bepleiten in organiseren en veranderen vaak een onderzoekende houding. In de journalistiek zie ik hem weinig.

Jouw bestuurders worden in een rare overtuigmal gezet. Ze worden marionet van een overtuiging over overtuigen. Net als publieke figuren in het nieuws marionetten worden van het frame waar ze aan moeten voldoen. Net als burgers als marionet moeten voldoen aan de participatiesamenleving, de neoliberale vrije-keuzemaatschappij of de ratrace in organisaties.

Dat heeft een risico, want met een karikatuur kan ik mij veel minder vereenzelvigen dan met medemensen. Slavernijverleden, zwarte-pietendiscussie, vreemdelingen/vluchtelingen: hoe moeten we ooit begrip voor elkaar krijgen als we alleen een karikaturaal debat voeren?

Hoe moeten we ooit een participatiesamenleving bouwen als diversiteit en verschillen te moeilijk zijn om mee te werken? Als de participatiesamenleving vooral vorm krijgt op het meest eenvoudige prototype? Dan vallen mensen uit het arbeidsproces omdat werk topsport is geworden, maar niet iedereen topsporter is. Dan is er voor veel ouderen of jeugd geen passende zorg omdat ze niet passen in de mal van het prototype participatiesamenleving dat we nastreven.

Ik begin behoorlijk genoeg te krijgen van die karikatuurbenadering. Ik werk en leef met mensen. Leuke mensen, imperfecte mensen, prutsende mensen, ingewikkelde mensen, mensen die mooie dingen willen doen en daar hun best voor doen, mensen die met elkaar hun best doen om er wat van te maken. Mensen zijn leuk. Ik wil dat de media mij die mensen laat zien. Daar wordt de wereld mooier van. Niet van die karikaturen.

Groet, Leike

Overtuigd

17 december 2017


Beste Leike,

Of ik een groep bestuurders wilde lesgeven in “Energie overdragen en profilering”.

Want dat was nodig dachten zij om hun directies en middenkader in hun eigen organisatie meer in beweging te laten komen. Er werd mij een beeld geschetst van een snel veranderende buitenwereld terwijl de professionals en hun leidinggevenden behoorlijk tevreden waren met hun operationele resultaten.

En nu zou het zo fijn zijn als ik met ‘dynamiek en enthousiasme’ hen zou kunnen leren anderen op te peppen. Jij kent dat ook hè, dat soort vragen?

Op het moment dat zo’n vraag gesteld wordt denk je in een splitsecond: ‘Dus dat is waarschijnlijk niet de oplossing. Want dat hebben ze vermoedelijk al heel erg geprobeerd.’

Je ziet het zo voor je. De bestuurder ergert zich aan de traagheid van anderen, zelf is hij in zijn denken en visie al veel verder. Hij probeert gloedvol op zijn mensen in te praten, vertoont zich op zeepkisten, maakt een dagelijkse passieblog of –vlog en probeert anderen zo hard te overtuigen dat hij zelf het meest overtuigd raakt. En de wanhoop over de traagheid van de ondoordringbare leemlaag neemt alleen maar toe.

Ik dacht: ‘Misschien is die behoefte aan meer gas geven eerder een belemmerende overtuiging dan een deel van de oplossing.’ Het leek me goed dat met ze uit te zoeken.

Dus ik een dagje met die bestuurders. In gesprek over hun eigen veranderingen en hoe lastig dat vaak gaat. Ook als je graag wilt. Met natuurlijk de vraag of zij denken dat dat bij anderen anders zou zijn. Vooral oog krijgen voor hoe ingewikkeld sturen van een verandering is en hoe makkelijk het soms gaat als je ruimte biedt, vragen stelt, verantwoordelijkheden bij anderen laat of legt. Je kon de ontspanning bijna voelen. In mijn perceptie werden ze zelfs ter plekke leukere mensen… Het was alsof ze hun overtuiging dat de energie van hen moest komen, loslieten.

 

Zeilers weten dat een overtuigd schip een schip is dat te veel zeil voert. Met een overdaad aan zeil wordt een schip kwetsbaar bij rukwinden of gaat soms zo schuin dat het snelheid kost en te grote roerdruk en energieverlies oplevert. Te veel tuig, te veel energie dus.

Dat idee dat we meer gas moeten geven, meer energie, meer motivatie, meer passie, meer overtuigde kracht en macht; dat maak ik toch wel heel vaak mee.

Is deze overtuiging niet gelijk aan die van het overtuigde schip? Kwetsbaar en met energieverlies? Jagen we elkaar niet te veel op?

Nederland heeft vrijwel de hoogste arbeidsproductiviteit ter wereld. We werken niet zoveel betaalde uren, maar per uur doen we heel veel. Daar komen dan nog onbetaalde participatie-uren bij: mantelzorg, vrijwilligerswerk, huishouden, de participatiesamenleving. Plus al die uren die mensen maken omdat we zelf moeten kiezen voor een energieleverancier, een zorgverzekeraar, een telecomprovider, een bank.

Het is ook goed om ze in de gaten te houden, want als je nietsvermoedend bijvoorbeeld een bankrekening aanhoudt, kan het zomaar zijn dat je eigen bank andere –veel aantrekkelijker- formules aanbiedt om nieuwe klanten te lokken. Shoppen loont meer dan klantentrouw. De kans dat je verkeerd hebt gekozen kan knagen.

En zo raken we langzamerhand overspannen. Met een stijging van burn-outgevallen en een stijging van het beroep op de GGZ. Met veel gescheld en angstbijterij op social media. Met veel mensen die zich opgejaagd voelen, het tempo en de ingewikkeldheid niet meer kunnen bijbenen. Klem zitten.

Dat overtuigen van anderen, dat mag van mij wel wat minder. Kun je zelf als bestuurder ook even minder opgetuigd aan de slag.

Worden ze een stuk leuker van, die bestuurders. En effectiever.

Groet, Jaap

Kloofhoop

3 december 2017


Best Jaap,

Vorige week beschreef Tom-Jan Meeus in zijn NRC-zaterdagcolumn het begrip kloofhoop. Wat een prachtig woord! Kloofhoop is de wens deel te zijn van een kloof om je daarmee tegen anderen af te zetten. Kloofhoop betekent niet dat er een kloof is, maar dat je graag een kloof wilt, omdat het je de mogelijkheid geeft om zo te kunnen klagen over anderen en je eigen identiteit te versterken.

Meeus laat in zijn column zien dat de kloofreuring groter is dan de kloof zelf.

Hoe herkenbaar is die kloofhoop en het gedoe dat eruit voortkomt!

 

Hebben we in organisaties eigenlijk ook kloofhoop?

Ik bedenk er een paar. De ‘weg met managers’-beweging? De boosheid over grote graaiers, ook als ze niet groot zijn en het graaien wel meevalt? De voor- en tegenstanders van zelfsturing of –organisatie? De terug naar de bedoeling-beweging? De kloof tussen systeem- en leefwereld?

Zou dit allemaal kloofhoop kunnen zijn?

Het zijn allemaal thema’s met voor- en tegenstanders, waar veel kabaal over gemaakt wordt, waarin positie gekozen wordt en waar mensen hun identiteit aan ontlenen. Het zijn ook thema’s die in de praktijk veel genuanceerder liggen dan we op twitter, in blogs, in boeken en op podia van voor- en tegenstanders horen.

 

Volgens Meeus blijft het echte vraagstuk verborgen achter al die schijnkloven en het kabaal dat we daarover maken. Wat zou in organisaties dan het niet-besproken vraagstuk zijn?

Ik denk dat dat ons onvermogen is om organisaties nog goed en ordentelijk te organiseren. Ordentelijk in de zin dat structuur, processen en manier van organiseren goed aansluiten op zowel de omgeving als de kenmerken van het primair proces. Organisaties en hun omgeving zijn complexer geworden. Eenvoudig organiseren wordt steeds moeilijker. Want organiseren is een vak. Kennis van organiseerwetmatigheden helpt nog steeds om goede structuren te bouwen. Maar we organiseren vaak naar de modes die voortkomen uit al die quasikloven. We klatsen slordige structuren in elkaar die samenwerking en besluitvorming alleen maar moeilijk maken. Vervolgens gaan we ervan uit dat de medewerker de problemen die daaruit voortkomen wel oplost met passie en intrinsieke motivatie. Waardoor je medewerkers oneigenlijk veel problemen laat oplossen die je makkelijk had kunnen wegorganiseren.

Ik denk dat dat het echte vraagstuk is.

En dat al die andere kloven dat verbloemen.

Of heb ik nu last van kloofhoop?

 

Groet, Leike

 

Obesitas in Amsterdam

27 november 2017


Beste Leike,

Ik hou van mijn geboortestad. Iedere keer als ik er ben gaat mijn hart een beetje open en geniet ik van de schoonheid, het leven, de veelkleurigheid, de levenslust. Ik gebruik Amsterdam ook weleens als voorbeeld als ik het begrip ‘antifragiel’ probeer uit te leggen: Amsterdam heeft het vermogen allerlei vormen van gedoe om te zetten in oplossingen die de stad leuker en sterker maken. Wat er ook gebeurt, het blijft een levende stad.

Maar nu maak ik me zorgen. Het gaat te goed. Ik zie de stad uit de eigen spuigaten lopen.

Airbnb was volgens veel toekomstvoorspellers een disruptieve gamechanger (met excuses voor de hypetaal). Maar wat blijkt? Inmiddels verhuren particulieren voor grof geld hun huis voor enkele weken. Pandjesbazen proberen daar het hele jaar van te maken. De prijzen van de hotelkamers gaan overigens ook door het dak (met dank aan de koppenmaker van De Telegraaf die graag woordspeelt) en er is grote druk om het aantal hotels uit te breiden. Toerisme zal volgens alle prognoses alleen maar sterk groeien.

Ondertussen stijgen ook de huizenprijzen zodanig dat mijn twee zonen die in Amsterdam huren, nooit het geld op zullen kunnen brengen voor een eenvoudige etage in de stad.

Londense toestanden dreigen. Straks is er in de (binnen)stad alleen maar plek voor de gearriveerden en toeristen. Dan maakt die veelkleurige vrolijke chaos van nu plaats voor dure, aangeharkte appartementen. De stad als levenloos museum. Dan verhuist het leven naar de suburbs en verliest Amsterdam zijn charme en antifragiliteit.

De stad doet pogingen om de druk te verkleinen. In folders voor buitenlanders heet Zandvoort “Amsterdam at sea” en de Veluwe “Amsterdam park”. Slimme en verstandige toeristenspreiding.

Maar wat doen de bestuurders ook? Ze halen met veel bombarie het Europees Medicijnenagentschap uit Londen naar de stad. Argumenten? Werkgelegenheid, ook indirecte banen; aantrekking van farmaceuten; betere hotelbezettingen; goed voor Schiphol…..! Echt!

We kunnen geen verpleegkundigen vinden, onderwijzers, politieagenten, bouwvakkers, maar we willen meer werkgelegenheid. We zien enorme protesten rond de uitbreiding van vliegveld Lelystad omdat Schiphol overbelast is, en we trekken meer vliegbewegingen aan. Amsterdam lijkt bezig om oplossingen te zoeken voor de problemen van het verleden. Alsof onbeperkte groei de problemen in de stad op gaat lossen. Naïef interventionisme zou Taleb het vinden.

De econoom Kate Raworth die ik zag op Tegenlicht, houdt een pleidooi om echt te gaan werken aan een nieuwe economie. Niet langer gebaseerd op groei zonder eind, maar op een balans tussen menselijke behoeften en mogelijkheden van onze planeet.

Ze vertelde haar verhaal aan de hand van de anatomische les van dokter Tulp van Rembrandt. Ze liet zien hoe men in de zeventiende eeuw verkende hoe het lichaam in elkaar zit. Zo moeten we ook onderzoeken hoe de planeet werkt als je intervenieert. Of Amsterdam natuurlijk. Misschien dat als we dat gaan doen, Amsterdam die leuke stad kan blijven. Anders vrees ik met grote vreze.

Groet, Jaap

 

 

 

 

Geen geheugen voor pijn

19 november 2017


Beste Jaap,

We hebben geen geheugen voor pijn (en dat is maar goed ook; er zouden niet veel kinderen geboren worden als het anders was). Van dat wonderlijke fenomeen ben ik me de afgelopen weken weer heel erg bewust geworden. Voor het eerst in jaren heb ik niet meer elke dag pijn. Heel, heel, heel erg fijn. Maar denk je nou dat ik me dat elke dag bewust ben? Welnee.

Als acupuncturist leerde ik al dat je altijd alle symptomen die mensen bij de intake opsomden, bij het vervolgconsult af moest lopen, omdat mensen niet doorhebben wat er aan klachten verdwenen is. Als ervaringsdeskundige ondervind ik het aan den lijve. Ik denk ‘wat fiets/loop/zit ik toch lekker!’. Ik ben de pijn gewoon vergeten. Heel af en toe realiseer ik me dat dat prettige gevoel voortkomt uit de afwezigheid van pijn.

 

Hoe anders is het dan met emoties. Jill Bolte Tayler laat in haar boek My stroke of insight zien dat de fysiologische reactie die wij emotie noemen niet langer dan 90 seconden aanwezig is. Daarna is de emotie fysiologisch uit ons lijf verdwenen. Maar zijn we de emotie na 90 seconden ook kwijt? Nee dus. Juist emoties lijken zich vast te zetten in ons geheugen. Ze ‘blijven’ aanwezig omdat we mentaal, met ons geheugen dus, het emotionele circuitje steeds weer ‘aanzetten’. Het tegenovergestelde dus van ons geheugen voor pijn.

 

Zou iets soortgelijks zich voordoen bij gevoelens over organisatieverandering? Dat we vooral geheugen hebben voor de verandergebeurtenissen die onze emoties raken? En een gebrek aan geheugen voor het stapsgewijs verdwijnen van waar we last van hadden?

Dit weekend sprak ik een vriend van me die heel emotioneel was over een interim-manager die er, volgens hem, een potje van maakte. Hij communiceerde niet, begreep de sector niet, zag niet wat het probleem echt was en behandelde goedbedoelende mensen onheus. Emoties liepen hoog op.

In de verkenning van wat er aan de hand zou kunnen zijn, kwamen heel langzaam ook andere verhalen naar boven. De man had ook ervoor gezorgd dat een aantal zaken beter liepen dan voorheen, dat achterstallige besluitvorming in versneld tempo tot stand kwam en dat er een systeem geïmplementeerd was dat het werkproces een stuk makkelijker maakte. Gewoon vergeten. Verdwenen achter de emotie? Of geen geheugen voor het verdwijnen van ongemak?

 

Zou het met positieve emoties anders zijn? Ik werkte vorige week met een managementteam dat heel blij was met de nieuwe strategie, zich geïnspireerd voelde door de activiteiten die ondernomen werden en zich helemaal op de verandering stortte. Nu moesten de medewerkers nog mee en dat zou niet makkelijk worden. Hun vraag was hoe mensen intrinsiek gemotiveerd konden worden, zodat ze hetzelfde enthousiasme voor de verandering gingen voelen.

Pas na een tijdje kwamen de inzichten dat er eigenlijk al heel veel anders was. Dat mensen al zoekend al richting strategie aan het bewegen waren en oud gedrag loslieten. Weliswaar niet langs de lijn van de inspiratie, maar door gewoon anders te gaan werken, maar toch. Was dit inzicht verscholen geraakt achter de emotie? Of kun je hier ook spreken van geen geheugen voor het verdwijnen van oud gedrag?

 

Ik denk dat door die combinatie van geen geheugen voor de afwezigheid van ongemak en een te groot geheugen voor emoties een blinde vlek ontstaat voor wat er aan het veranderen is.

Ik ga er de komende tijd eens opletten. Maar nu ga ik even een rondje fietsen, want ik weet niet hoe het komt, maar ik fiets zo lekker de laatste tijd.

 

Groet, Leike

Het Raadsel Rutte

7 november 2017


 

 

Beste Leike,

 

Ik puzzel een beetje op wat ik nou vind van Ruttes visie.

Onze premier beweerde ooit dat een visie overbodig is. Dat mensen die er een hebben naar de oogarts moeten. Visieloos handelen en opportunisme liggen dicht bij elkaar. Is Rutte een opportunist? Volgens Van Dale is opportunisme: “het handelen zonder bepaald beginsel, naar de eisen van het ogenblik, waarbij men ernaar streeft iedere omstandigheid ten voordele van zichzelf of zijn partij aan te wenden.”

Dat is Rutte toch niet hè? Hij is niet echt een Berlusconi of een Trump, om eens een paar rasopportunisten te noemen. Rutte is toch meer broodje kaas en glaasje melk en doe maar gewoon dan doe je gek genoeg. Normaal is zijn nieuwe mantra.

Is Rutte dan een pragmaticus?

Volgens Van Dale is pragmagtisme: “opvatting dat mijn zijn handelen niet moet laten bepalen door een ideologie maar door een zakelijke beoordeling van de feiten”. Dat is hem dan alweer veel meer. Met name als het gaat over geen ideologie hebben.

Maar niet als het gaat om een zakelijke beoordeling van de feiten. Kijk eens naar een fragment uit het kamerdebat over de regeringsverklaring over de 1,4 miljard die begroot is voor het opheffen van dividendbelasting voor buitenlandse investeerders. Op vragen naar de wetenschappelijke onderbouwing, of wat het Centraal Planbureau hiervan vindt, of waarom dit punt ontbrak in alle verkiezingsprogramma’s, geeft hij geen ideologische verklaring, maar ook geen afweging op basis van feiten. Hij schakelt eigenlijk naar de overtuigstand. Dat doet hij knap, hoor. Maar de feiten die hij gebruikt, zijn met waterverf aangebracht. Een paar voorbeelden. Volgens hem is het goed voor Schiphol als buitenlandse bedrijven zich hier vestigen. Maar je kunt bijna uittekenen dat hij bij een Schipholdebat overtuigend zal uitleggen dat het goed is voor buitenlandse bedrijven als Schiphol verder uitbreidt. Een andere: het zou goed zijn voor de werkgelegenheid. Maar werkgelegenheid is geen issue meer. De arbeidsmarkt is op veel segmenten al zo overspannen dat er geen personeel te vinden is. Kijk naar ziekenhuisafdelingen die sluiten wegens onvoldoende verpleegkundigen.

Met zo’n gebrek aan feitelijke onderbouwing kom je toch weer dicht bij opportunisme.

Sinds we ons boek Onderweg over pragmatisch veranderen schreven ben ik steeds meer gaan nadenken over de richting van een verandering. Over een goede visie die de koers aangeeft van waarheen de verandering moet lopen. Over waar je op uit bent met je verandering. Hoe geef je vorm aan verandering als je niet weet waarheen? Als je dat niet weet, wordt ieder pragmatisch handelen opportunistisch. Er is richting nodig, koers, een perspectief, iets waar je heen wilt.

Die noodzaak ontkent Rutte. Of toch niet?

Misschien moeten we kijken naar wat Rutte doet, in plaats van wat ie zegt. Misschien krijgen we dan meer zicht op van waaruit hij handelt.

Als we dat doen, dan zien we dat hij in Nederland zegt dat Europa kleiner moet en in Europa dat het sterker moet. Dan zien we dat hij meer uittrekt voor grote bedrijven en Schiphol dan voor de onderkant van de samenleving. Dan zien we dat iedereen graag met hem samenwerkt, maar dat hij steeds aan het langste eind trekt. Dan zien we een ongebroken geloof in de markt alsof er niks gebeurd is in 2007. Dan zien we iemand die schuift van ‘groen-rechts’, via probleemontkenning naar een ambitieus regeerakkoord op klimaat.

Wat we zien is een handige kerel wiens visie is dat een visie je kwetsbaar maakt in het verbinden van mensen met een andere visie. Musil schreef honderd jaar geleden zijn meesterwerk over de man zonder eigenschappen. Opeens snap ik het. En snap ik ook Rutte.

Groet, Jaap

 

 

 

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!