Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Brand!

27 augustus 2019


Beste Leike,

 

Wat een interessante reacties kwamen er op je laatste twee briefblogjes aan mij. Jij stelt dat het stuk kan. Dat onze wereld, onze democratie, onze beschaving niet zomaar een gegeven zijn. En je spreekt je zorgen uit over politici en commentatoren die daar juist nogal zorgeloos mee omgaan. Die zich gedragen alsof het niet stuk kan.

Vervolgens zijn er allerlei reacties die je manen minder pessimistisch te zijn, wijzen op tal van positieve ontwikkelingen die er ook zijn, die suggereren dat het schrijven aan een boek over onmacht ook maar aanleiding geeft tot gesomber, die je erop wijzen dat de maatschappelijke transitie nu eenmaal een chaotisch proces is of die je melden dat het niet meer stuk kan omdat het al stuk is.[1]

 

Ik ben ook gefascineerd door die reacties. Het zijn volgens mij allemaal heel goed bedoelde pogingen je op te beuren, je te helpen het wat meer van afstand te beschouwen, je te helpen niet in een depressie te komen. Ze zijn bedoeld als echte liefdevolle hulp. Dat is mooi, zeker in deze tijd van elkaar afbranden op social media, maar gaat voorbij aan jouw boodschap.

Het is alsof je heel hard BRAND! roept en dat de een reageert met “Ga even zitten, je bent enorm geschrokken he?”. Dat de volgende zegt “Maar die brand komt heus niet in de kelder want die is van beton”, en weer een ander meldt dat dit alweer de zoveelste brand is in het dorp dit jaar of wijst erop dan volgens de tweede wet van de thermodynamica alles uiteindelijk vervalt (inclusief literatuursuggestie). Terwijl je zou willen dat ze ook hard BRAND! roepen en in de weer gaan met emmertjes, 112, en tuinslangen.

 

De aard van de reacties illustreert een van de punten die we in ons Onmacht-boek willen adresseren: de individualisering en psychologisering van onze huidige cultuur. Een cultuur waarin optimisme en distantie de norm zijn en waarin ongerustheid, betrokkenheid al snel als individuele emotie worden gezien. Een cultuur waarin we maatschappelijke vragen verengen tot persoonlijke kwesties waar je individueel oplossingen voor moet zoeken: “En wat doe je er dan zelf aan…?”. Een cultuur waarin depressie-epidemie wordt bestreden met pillen in plaats van maatschappelijke verandering.

Of we nemen van schrik heel veel afstand (“transitie is nu eenmaal chaos”), alsof een generaal zegt dat een kernoorlog nu eenmaal veel slachtoffers eist. Alsof je het vraagstuk waar je inzit van buiten kunt beschouwen en daarmee ontmantelen.

Enkele maanden geleden kwam poolonderzoeker Maarten Loonen terug van Spitsbergen en meldde dat hij in paniek was: “Het systeem is voorbij de tipping point, ik word hier heel emotioneel van.” Het leek me een heel oprechte en zelfs rationele uitspraak. 

Zou het de klimaatcrisis helpen als de onderzoeker in therapie ging? Of zou het helpen als we hem serieus nemen en zijn paniek als hele relevante informatie en reden tot actie zien? Ik denk dat dat is wat de altijd gekoelde Gerrit Hiemstra doet!

 

Somberheid en paniek, we hebben het hard nodig. Want we gedragen ons nog steeds als ‘just another day at the office’, terwijl ze fikkie stoken in het papierhok.

 

Groet, Jaap

[1]Overigens waren er ook de nodige reacties die met veel herkenning instemden met hoe je dat knap verwoorde, maar daarover wil ik het niet hebben.

Ik wil trouwen met Gerrit Hiemstra

24 augustus 2019


Beste Jaap,

Wat een interessante reacties op mijn vorige blogje. Veel mensen laten me weten dat het ‘al stuk’ is. Onze economie of ons klimaat bijvoorbeeld. Natuurlijk is dat stuk. We zijn het tipping point allang gepasseerd, we kunnen niet meer terug. Dat was ook niet het punt van mijn stukje. En al helemaal niet dat ik alle in onze maatschappij ingebakken neveneffecten zou willen conserveren. Moet er niet aan denken!

Maar zoals jij aan een van de lezers aangaf: het kan nog veel stukkerder. We hebben nog helemaal niks gezien.

 

De meeste van de reacties verwijzen naar dat we in een transitie zijn en dat deze onrust erbij hoort. Ik denk ook dat dat zo is. Maar als je de theoretische grondlagen van het transitiedenken er even bijneemt, dan kun je wel concluderen dat je in transitie bent, maar je weet niet waar je naartoe transeert. Het is geen teleologisch proces, met wat onrust, waar altijd weer wat goeds uit komt. Zo eenvoudig zit ons complexe systeem niet in elkaar. Je kunt wel beschouwend naar de chaos die aan het ontstaan is kijken, hem duiden als ‘iets dat erbij hoort’, maar daarmee is het nog niet opgelost.

 

In transitie gebeurt van alles. Sommige zaken vervallen, andere blijven behouden. Maar welke kant het op beweegt, dat weet je niet. Wat we nodig hebben om wat te doen aan die systemen die stuk zijn, is collectieve inzet om het te keren. Zo goed mogelijk, met man en macht, tegen de klippen op. Dat betekent heel hard werken, met elkaar, wereldwijd, met een gezamenlijke betrokkenheid die we hard nodig hebben. Het is precies dat waarvan ik bang ben dat het stukgaat. Want als we dat niet meer hebben, is het ieder voor zich.

 

Ik wil niet leven in een wereld waarin de mensen die hun best doen om de wereld een beetje beter te maken, kunnen rekenen op een lawine van azijn en stront. Maar ook niet in een wereld waarin de ook voor de andere kant de pek en veren kwistig gehanteerd worden. Ik ben bang dat we daarmee precies dat stukmaken wat we heel hard nodig hebben: ons vermogen om in verbinding, elkaar vasthoudend en zoekend, naar oplossingen te zoeken. Bang dat de instituties die daar in zo belangrijke mate aan bijdragen, onze democratie, Europa, stukgaan. Samenwerken is niet vanzelfsprekend. We hebben er hard aan gewerkt. Dat stukslaan gaat ons niet helpen. Vanuit die basis hard aan die ingewikkelde vraagstukken werken wel. Denk ik. Hoop ik.

 

Daarom heb ik zo’n enorme bewondering voor Gerrit Hiemstra, die steeds weer, uitlegt hoe dat zit met klimaat en weer, wijst op wat er aan de hand is en waarschuwt dat het fout gaat. Èn zich vervolgens niet opsluit in zijn bubbel, maar op basis van zijn kennis, hard èn vriendelijk, de meest nare reacties blijft beantwoorden. Hij neemt stelling èn blijft in verbinding. Hij durft te zeggen dat er dingen al stuk zijn, maar blijft zorgvuldig in het heelhouden van de sociale dynamiek die nu zo vaak op spanning staat. Ik wou dat ik dat kon.

 

Zijn mooiste reactie van de afgelopen periode? In reactie op een tweet van een klimaatscepticus die een plaatje van wereldkaart stuurt met – ook – heel veel koude gebieden, en wil weten hoe hij dat dan kan verklaren, simpelweg laat weten ‘Daar is het winter’.

 

Ik wil trouwen met Gerrit Hiemstra. Misschien helpt dat me de transitie door.

 

Groet, Leike

 

 

Het kan stuk hoor!

22 augustus 2019


Beste Jaap,
 
Mijn vakantie is alweer bijna voorbij. Heerlijke weken gehad, maar ik merk dat ik ook met een donkere blik weer start. Ik maak me zorgen. Zorgen over wat we met elkaar in dit land en in de wereld aan het doen zijn. Trump die de democratische grondslagen tart met zijn tweets. Een politieke partij die voor het verval van onze boreale wereld waarschuwt en met de vinger naar mede-landgenoten wijst. De media die journalistieke en juridische grondslagen tart als het om de zoon van de burgemeester gaat. Johnson die niet kan wachten om uit Europa te stappen en als een bulldozer afkoerst op 31 oktober. De steeds scherperwordende identiteitspolitiek waaraan steeds meer groepen meedoen, omdat ze ook in hun identiteit erkend willen worden en boos zijn op anderen. En natuurlijk de scheldkannonades op twitter, waarin de onderbuik van Nederland zichtbaar maakt hoeveel ressentiment en domheid er is en hoeveel eigenrichting op de loer ligt.
 
Al eerder schreef ik erover. Elke keer zocht ik dan naar wat er ook is. Gewone mensen die het gewoon een beetje met elkaar proberen te redden. Die extremisme verafschuwen, die in hun buurt proberen er met elkaar wat van te maken, de nuance en relativering die Nederland ook altijd kent. Want ach, extremen worden pas gevaarlijk als het midden wegvalt. Dacht ik.
 
Maar dit keer helpt mijn bezweringsformule niet. Ik begin te twijfelen of ie wel klopt. Zo onschuldig is dat lompe gebrul niet. Die democratie, dat Europa, de verworvenheden in ons land. Ze kunnen stuk! En daar is misschien wel veel minder voor nodig dan we denken.
 
Tuurlijk, die ene tweet, dat ene protest, dat gaat het niet stukmaken. Maar ik ben zo bang dat het is als zo’n brug die eerst zachtjes schommelt, dan gaat oscilleren en uiteindelijk in elkaar zakt. Ook daar is maar een zuchtje wind voor nodig.
We handelen met elkaar alsof de vrede en welvaart die we hebben er voor altijd zullen zijn. We zijn een van de gelukkigste landen met een grote mate van gelijkheid. We kunnen vrij door Europa en de wereld reizen. Dat is al zolang zo, dat we ons bijna niet meer realiseren dat het er ooit niet was, en dat het heel veel moeite heeft gekost om zover te komen.
Het lijkt zo vanzelfsprekend geworden dat we ons niet meer realiseren dat het ook stuk kan. Dat we niet beseffen dat al dat meppen, schelden, schofferen, met voeten treden schade toe kan brengen. We staan met elkaar voor grote klussen als het gaat om klimaat, welvaart, gelijkheid en een eerlijke wereld. Daar hebben we de stevige basis die we met elkaar bouwden voor nodig.
We schrijven op dit moment aan een boek over onmacht. Nou, dit maakt onmachtig. Want hoe voorkom je dat iets stukgaat door gekrijs in de marge?
 
Best een donkere blik dus. Huub van der Lubbe schreef ooit: ‘Ik neem een paar andere ogen. Blauw en niet meer zo zwart. Want het is niet wat het lijkt, maar hoe je het bekijkt. Dus ik krijg ook een heel ander hart.’
Ik doe mijn best. Echt. Maar het lukt nog niet zo goed.
 
Groet, Leike
 
 
 
 

Oesters leren eten

14 juli 2019


Beste Leike,
 
Ik ben net terug uit Bretagne. Een plek die ik altijd vermeed omdat het weer er doorgaans lijkt op dat van zijn grote broer aan de andere kant van Het Kanaal. Maar nu dus hier met al een week heerlijk zonnig weer en dan is het hier echt verschrikkkkelijk mooi!
In de euforie van de schoonheid van het landschap, de hartelijkheid van de mensen en de kwaliteit van eten en drinken besloot ik het weer eens te proberen: oesters. Ze zijn hier vrijwel gratis en dagvers tegelijk en ze staan overal op de kaart. Dus laten we het maar weer eens proberen. En wat bleek? Heel goed binnen te houden, zelfs wel een soort van lekker. Moesten we vaker doen.
Je weet Leike, dat ik niet van oesters ben. Dat ik altijd een wat ambigue verhouding tot deze parelmaker had. Mensen die oesters eten zijn levensgenieters, die houden van exotisch, duur, ongewoon rauw, oerig eten. Ik keek er altijd tegenop. Ik vond het stoer hoe ze een klein godsvermogen neertelden voor een snotterig halfdood ongewerveld beestje in een hap zeewater. En dan een glas champagne en de hele savoir vivre erbij. Oesters eten heeft snobappeal. En eerlijk is eerlijk, dat laat me niet onberoerd. Hield ik ook maar van oesters.
In de termen die we gebruikten in Onomkeerbaar behoorde het eten van oesters voor mij in de wenselijke wereld. Ik had er ideeën bij, het sprak met wel aan, cognitief dik voor mekaar, maar iets weerhield me.
Vandaag zag ik in het Bretonse restaurant iemand die niet alleen een oester uit de schelp pullekte, maar die ook de oester aan zijn mond zette en het zeewater gulzig opdronk. Zoals het hoort. En toen begreep ik opeens hoe het me nauwelijks om dat glibberige beestje gaat, maar om de smaak van vroeger, de smaak van puur zeewater.
Als kind bracht ik vele zomers door met mijn ouders in Zandvoort. Wekenlang op het strand. Weer of geen weer. Zandkastelen bouwen, vliegeren, voetballen, klieren en ook heel veel in zee. Zwemmen, ballen, in de golven duiken en als het mee zat de badmeester helpen met het redden van drenkelingen. Net zo makkelijk. Hectoliters zeewater zijn mijn maag gepasseerd. De zoute smaak (literair vind ik zilte smaak eigenlijk mooier klinken) was altijd verbonden met een vergissing. Ademhalen als er net een golf voorbijkomt, onder water zwemmend opeens een tomeloze behoefte aan lucht krijgen of de crawlslag oefenend zonder veel talent. Ziehier mijn ervaringswereld: zeewater proeven is falen. Dat heb ik nooit zo verwoord, nooit eerder taal voor gevonden, maar vooral die ervaring met al mijn zintuigen was en is diep doorleefd.
Dus je snapt wat er later in mijn leven gebeurde. Het eten van oesters (sexy!) en de smaak van zeewater (mislukking!) streden met elkaar en ik besloot daarom dat ik gewoon niet zo van oesters hield.
Tot ik dus deze week oesters bestelde in een heel vergevingsgezinde en stimulerende omgeving het zeewater bewust proefde en het snotterige beestje opat, creëerde ik een nieuwe ervaring, namelijk dat oesters -met enige fantasie- best lekker zijn, eerlijk gezegd. Ik nam de drempel zonder druk op mijn eigen moment in een heerlijke omgeving, een stukje wenselijke wereld vond zijn weg in mijn werkelijke wereld.
Zo behulpzaam kan een veilig leerklimaat blijkbaar zijn.
 
Groet, Jaap
 

Hoop op hoop

14 juni 2019


Beste Leike,
 
Je vorige briefblog naar aanleiding van Wheatley riep veel reacties op he? Het was ook mooi hoe je liet zien dat je na verloop van tijd in je eigen verhalen je eigen redenering en argumentatie-opbouw steeds meer overslaat, omdat je met de conclusies verder kunt werken vanaf een volgend ‘vast’ punt. Dat herken ik sterk. Dat je bij het vertellen van je eigen theorie over onderdelen denkt, ”Ja dat weet ik nu wel”, en dat overslaat in het ongetoetst vermoeden dat de luisteraars dat ook wel weten. Je wilt immers geen herhalende grammofoonplaat zijn en bovenal, je wilt verder bouwen en niet steeds op pagina 1 beginnen.
Voor je het weet zit je in je schuttersput van conclusies te schieten op mensen in een loopgraaf met andere conclusies. Dat voorkom je alleen als je teruggaat naar je waarnemingen, je redenering en de mogelijke gevolgen ervan. Argyris heeft het ons eindeloos uitgelegd.
Op het systeemfestival van Sioo was het effect van Margareth Wheatley op mij dat ik haar verhaal een beetje plat vond. Ik miste echt de diepte in haar verhaal, haar conclusies gingen mij te snel. Als zij zegt dat we af moeten van “hope”, wat bedoelt zij dan? Dat we niet meer moeten hopen op betere tijden? Of dat we er niet in moeten geloven, erop moeten vertrouwen? Of dat optimisme naïef is? Ze legde het niet uit.
Ik ben altijd gefascineerd door Amerikaanse films waarin de situatie overduidelijk uitzichtloos is en deze mensensoort zichzelf en elkaar opmontert met “It’s gone be allright, I promise”. Kijk, als haar oproep is om met dat irreële optimisme mee te stoppen, goed idee. Maar stopen het hopen?
 
Ik was van de week bij AEF live, een prachtig event georganiseerd door Anderson, Elffers Felix. Daar sprak onder meer Femke Halsema over de toekomst van de stad en hoe ze zich daarin liet inspireren door een aantal denkers. Zij pleitte juist voor hoop en verwierp het idee van optimisme als naïef en te gemakkelijk. Het zoeken naar perspectieven, het ontwikkelen van visie en richting zijn voor haar belangrijk in haar werk.
Nu dacht ik al langer wat Femke dacht. Hoop kan een motor en stuur tegelijk zijn zoals woede een enorme energiebron is.
 
Dat maakte dat ik op het systeemfestival Wheatley de vraag stelde of het om “hope” ging of om “believe” bijvoorbeeld. Ik was juist opzoek naar die argumenten en redenering. Toen zag ik naast de neiging om in conclusies te praten een discrepantie tussen boodschap en eigen gedrag. Zij bleek niet geïnteresseerd in mijn vraag en onderliggende puzzel, maar dacht dat een enkelvoudige herhaling van haar woorden me zou bevredigen. Ik weet eigenlijk niet eens meer wat haar antwoord was, zozeer was ik in de war van hoe haar pleidooi voor gemeenschap en dialoog op gespannen voet stond met haar houding van de allewijsheidinpachthebbende verteller. Het leek erop dat mijn vraag eerder hinderlijk dan stimulerend was.
 
Dat is eigenlijk een ander dilemma voor een spreker of leraar. Hoe combineer je een zorgvuldig naar een conclusie opgebouwd verhaal met de ontregelingen van de dialoog? De kern van een dialoog is dat je hem samen al doende knutselt, de kern van een inleiding is een monoloog met een verhalende opbouw.
Ik merk zelf dat ik een groot voorstander ben van de dialoog, dat vind ik het leukst en geeft mij de meeste energie en gevoel van contact met de deelnemers. Maar ik weet ook dat de dialoog soms alle kanten opwaait, waardoor er van de opbouw van mijn verhaal weinig overblijft. Ik improviseer daar vaak een beetje tussendoor, maar of ik dan congruent ben in praat en daad? Hoe hou jij de lijn vast terwijl je hem viert?
 
Groet, Jaap
 
 

Margareth Wheatley

6 juni 2019


Beste Jaap,

Op dit moment vindt het Sioo Internationaal Systeemfestival plaats. Prachtige sprekers met mooie en intrigerende inzichten. Een van de gasten was Margaret Wheatley. Zij deelde haar visie op systemen. Volgens haar is er voor de grote systemen als klimaat of economie geen hoop meer. Die systemen gaan stuk, gaan eraan. Er zijn voor die systemen geen oplossingen meer.
Sommigen voelden zich hun eigen gevoel over de wereld erkend en vonden haar verhaal prachtig. Anderen vonden haar verschrikkelijk of zelfs plat.
Heel interessant, want wat gebeurde daar in die zaal, in reactie op haar verhaal?
 
Ik ken haar werk vrij goed. Ik heb bewondering voor hoe consequent zij is in het toepassen van de theorie van complex-deterministische systemen op organisaties. Als je die theorie als bril gebruikt, dan is er geen maakbaarheid en kun je niet sturen of resultaten garanderen. Maar lastiger misschien nog: deze theorie stelt dat elk systeem padafhankelijkheid kent, dat er geen pad terug is en dat elk systeem uiteindelijk vervalt. Niet voor iedereen is zo’n stellingname makkelijk te accepteren. Geloven in vooruitgang en verbetering is toch prettiger.
 
Dat geldt ook Wheatley zelf. In haar loopbaan zie je meerdere momenten zij zichzelf streng toespreekt, omdat ze toch stiekem hoopt dat ze ‘master of the universe’ kan zijn, toch hoopt dat er verbetering mogelijk is en dat ze pijn en frustratie kan helpen verminderen. Elke keer realiseert ze zich weer dat dat met deze theorie niet kan. Het zijn ook de momenten waarop ze haar publiek daar streng op aanspreekt. Elke keer weer laat ze zien hoe moeilijk het is om die boodschap te horen en besluit ze om hem te blijven brengen, tegen alle krachten in.
 
Dat deed ze vorige week ook. Maar het ingewikkelde was dat haar verhaal inmiddels een soort van epische verdichting kent. Ze kan (en wil) niet meer terug naar de verkenningen erachter, naar de theorieën die ze steeds weer als basis voor haar blik gebruikt. En dat is ingewikkeld, want je krijgt dan eindconclusies geserveerd. Als die resoneren met wat je wilt horen, dan is dat fijn. En anders heb je het moeilijk, want je kunt haar verhaal niet bevragen of onderzoeken.
Op een heel andere manier herken ik dat ook wel van de verhalen die ik vertel. Als ze al een tijdje meegaan, wordt het verhaal steeds robuuster, minder verkennend. Ik betrap mezelf erop dat details of achtergrondinformatie verdwijnen; dat ik sommige dingen niet meer uitleg en dat het me ook niet meer goed lukt om dat erin te brengen.
 
Lang geleden las ik het boek Ik ben een vreemde lus van Douglas Hofstadter. Geen makkelijk boek. Heb eigenlijk ook geen idee of ik het wel helemaal goed begrepen heb. Maar hij beschrijft hoe systemen op een gegeven moment naar zichzelf gaan verwijzen en hoe het onmogelijk is om naar de details van het systeemniveau eronder terug te gaan. Het is gesloten geraakt, ontoegankelijk geworden.
Zoiets is er ook aan de hand met dat verhaal van Wheatley. Als je veel van haar gelezen hebt, ken je wel de details van het verhaal eronder. Maar als je dat niet weet, dan is het een dwingend, normerend verhaal. Als dat past bij hoe jij kijkt, word je blij. Anders kan ik me heel goed voorstellen dat het je boos maakt.
 
Maar episch verdichte verhalen zijn misschien ook wel gesloten geraakt voor eigen reflectie. Ik denk dat Wheatley ook nu in de valkuil van de hoop is getrapt. Immers, als alle grote systemen waarin we nu zoveel problemen hebben, eraan gaan, dan is er hoop. Het gaat vanzelf stuk. Daar hoeven we niks meer voor te doen. Is dat hoopvol of niet? Ik denk alleen niet dat zij het met me eens zal zijn, die ruimte laat haar verhaal niet toe.
 
Groet, Leike
 

Paniek!

21 mei 2019


Beste Leike,
 
Onze collega in de Ambachtsschool, Marijke Spanjersberg, zegt wel eens dat emoties ons tijdelijk een beetje dommer maken. Dat herken ik wel. Dat liefde blind maakt en angst een slechte raadgever is, zijn ware volkswijsheden. En we weten natuurlijk dat de hitte van emoties een koele redenering behoorlijk dwars kan zitten.
 
Binnenkort doen we een workshop voor bestuurders over systeemdenken bij Sioo. En bij bestuurders en emoties schiet mij altijd door het hoofd dat paniek een weinig bestuurlijke emotie is. Niet dat die er niet regelmatig is, maar vooral dat paniek binnengehouden moet worden omdat het besmettelijk is. Als de burgemeester gillend door de straat loopt of als de CEO zich op de WC verstopt, weten de burgers of medewerkers niet meer wat te doen. Dikke kans dat ook zij ongericht paniekeren.
Bestuurders hebben daarom heel goed geleerd altijd beheerst te blijven, altijd ‘collected’, altijd in control en liefst positief. Je mag als bestuurder toegeven dat het helemaal mis is gelopen, dat er grote fouten zijn gemaakt, dat het je enorm spijt, dat een aanpak urgent is. Maar je mag niet zeggen dat je het ook niet meer weet, in huilen uitbarsten of keihard wegrennen. Dat vinden we niet erg bestuurlijk.
Ervaren bestuurders gaan daarom met paniek om zoals Engelsen met alle emoties: met een stiff upperlip en ware doodsverachting.
 
Maar wat nu als er echt reden voor paniek is? Enkele weken geleden zei klimaatonderzoeker Maarten Loonen van de RUG onomwonden dat hij in paniek was over het klimaat. Hij stelt dat we maar nauwelijks weten wat de effecten van de broeikas zijn op het klimaat. En hij meent dat we het kantelpunt al gepasseerd zijn.
Klimaatverandering verloopt namelijk niet lineair. Soms bevat het systeem onomkeerbare versnellingen als bijvoorbeeld de permafrost ontdooit en daardoor enorme hoeveelheden CO2 loslaat, waardoor ontdooiing toeneemt enzovoorts. Soms kunnen omdraaiingen plaatsvinden. Als het noordpoolijs dooit kan dit bijvoorbeeld de warme golfstroom afbuigen waardoor het bij ons niet warmer, maar veel kouder wordt. Ook het tempo van de opwarming is moeilijk te bepalen. Het internationale klimaatpannel is eigenlijk steeds erg conservatief in zijn verwachtingen. Daarom wijzen nieuwe onderzoeken er vaak op dat het veel harder gaat dan gedacht…
Het Parijse akkoord gaat uit van maximaal 2 graden opwarming om het nog een beetje te kunnen beheersen. Liefst eigenlijk 1,5 graad. De praktijk is dat we zonder forse ingrepen een veelvoud van die 2 graden opwarmen. De regering van een van de meest welvarende landen ter wereld komt nog alsmaar niet met echt beleid. Het klimaatakkoord moet over verkiezingen heen worden getild. Alsof we alle tijd hebben en Parijs wel wacht.
Een ding moet je de regering nageven. Ze handelen heel bestuurlijk. Ze lijken totaal niet in paniek. We gaan met 130 op een blinde muur af. Maar gelukkig raken we er niet bij in paniek.
Hoewel…, sommige mensen bevriezen van paniek. Het zal toch niet?
 
Groet, Jaap

Paadjes

9 mei 2019


Beste Jaap,

Las jij ook dat het artikel ‘Een pad maak je nooit in je eentje’ van Robert Moor? Hij heeft onderzoek gedaan naar ‘olifantenpaadjes’, maar dan niet alleen bij olifanten, maar ook bij andere dieren en bij mensen. Zijn onderzoeksvraag ontstond tijdens wandelingen. ‘Wie had dat pad gemaakt? Welk nut hebben paden? Wat drijft mensen – of olifanten, of insecten – om ze te volgen?’ 

 

Wij gebruiken olifantenpaadjes vaak in onze verhalen om zichtbaar te maken hoe energiezuinig ons handelen is en waarom dat zo waardevol is. Ook Moor maakt in het interview prachtig zichtbaar dat paden energiezuinige oplossingen zijn, maar vooral ook dat het collectieve oplossingen zijn. In je eentje kun je zo’n pad niet maken. Hij ontdekt drie principes voor een goed pad: ze zijn duurzaam, efficiënt en flexibel. Niks ingesleten en inert. Een pad past zich steeds een beetje aan aan die collectieve stappen die eroverheen gaan. Mooi, zo’n blik op het psychologische en het collectieve van die paden.

Ineens zie ik overal paden. Gisteren reed ik in alle vroegte naar Enschede, maar ik kwam toch even in de file. Omdat de files in en om Enschede niet goed ken, kon ik ze ook niet goed mijden. Op als die wegen volgens we natuurlijk gewoon paadjes. Dit paadje kende ik niet goed. Maar rond andere steden? Steden waar ik vaak kom? Ik weet precies wanneer waar welke file staat (behalve als er iets onverwachts gebeurt natuurlijk!). Files zijn eigenlijk gewoon een soort olifantenpaadjes die ons naar ons werk helpen.

Het ritme van een stad doet daar trouwens ook in mee. De vroegste files? Rond Rotterdam. Het werkritme van steden: Rotterdam is het vroegst, dan Den Haag en Amsterdam. Utrecht is de uitslaper.

Fietspaden? Letterlijk paadjes. Maar moet je eens om het stationsgebied van Utrecht (wat nu een flinke bouwkeet is) kijken hoe die paadjes zich vormen. Afsteekjes naar links en naar rechts. Voorsorteerstromen waar je in mee moet.

Maar paden zijn niet alleen fysiek zichtbaar. Ook in het planningsritme in mijn agenda herken ik ze. Ik kan al jaren voorspellen welke weken drukker en minder druk worden. De vakanties hebben daarmee te maken, maar het lijkt wel of organisaties een soort ‘heidagenritme’ hebben. Sommige weken zijn piekweken. Elk jaar weer. En elk jaar in ongeveer dezelfde weken.

De verhalen die ik vertel zijn een soort paden: met een betooglijn, een pad volgend, maar wel flexibel reagerend op wat er aan vragen komt.

Moor beschrijft hoe mierenpaadjes zo recht komen: ‘Richard Feynman, natuurkundige en Nobelprijswinnaar, heeft zelfs nog onderzocht waarom mierenpaden er altijd zo recht uitzien. Hij legde een suikerklontje in zijn huis, en markeerde met kleurpotlood het pad van een mier die een suikerkorrel van het klontje terugdroeg naar het nest. Een kronkelig pad. Een tweede mier volgde het spoor, nam ook een korrel mee, maar wilde zo snel mogelijk terug en sneed allerlei onnodige bochten af. Mier nummer drie maakte een nog iets efficiëntere terugtocht, enzovoort. Na tien mieren ontstond er een keurig rechte lijn. ‘Het heeft wel iets weg van schetsen’, zei Feynman toen. Zo kunnen paden evolueren. En wij kunnen zoveel leren van mieren. Denk aan de manier waarop we ons in grote groepen voortbewegen. Voetgangers vormen dan een soort lange slierten, net als mieren – alleen vertragen ze bij mensen om de haverklap. Pakweg elke dertig seconden stokt zo’n sliert, om dan opnieuw te vormen. Terwijl bij mieren alles doorgaat in één vloeiende stroom.’

Aha! Dankzij Moor begrijp ik nu ook beter waarom ik me zo enorm erger aan die stoere, wilde, snelle, gehaaste fietsers. Die doorbreken het paadje. Ze zigzaggen door een ritme en zorgen voor stagnatie. Voor hen gaat het sneller, maar ze kunnen alleen maar zo waaghalzerig fietsen omdat anderen dat niet doen. Voor de effectiviteit van het pad is het beter dat je je aan de regels houdt. Heb ik eindelijk weerwoord tegen ongeduldige mopperaars die vinden dat ze er weer eens niet snel genoeg langs kunnen.

Kijkend in paadjes snap je ook waarom adaptiviteit van een organisatie een collectief vraagstuk is. Paden maak je en verleg je niet alleen. Dat gebeurt tikje voor tikje en ontstaat omdat vele voeten kleine aanpassingen volgen. Daar ruig zigzaggend doorheen is niet zo ingewikkeld. Maar je verstoort alleen het ritme op het pad, niet het pad zelf.

Nu die fietsende waaghalzen daar nog van overtuigen …

Groet, Leike

 

Ode aan mijn collega

18 april 2019


Beste Leike,
 
Onlangs las ik het prachtige ‘Odes’ van David van Reybrouck. Ik weet dat jij ook een fan van hem bent, zo veelzijdig, diepgravend en tegelijk meeslepend zoals hij kan schrijven. In Odes brengt hij een serie buitengewoon bewonderende teksten. Zo fijn om eens iemand te lezen die zonder enige terughouding, met mooie beschrijvingen en argumenten zijn lofprijzingen beeldhouwt voor muziekstukken, mislukkingen, de lente, de liefde of de poetsvrouw. Ik wou dat ik dan kon.
 
Want er is een aanleiding. Brechtje Kessener en jij hebben deze week eerste exemplaren aan mede-auteurs aangeboden van ‘Meer dan de som der delen, systeemdenkers over organiseren en veranderen.’ Wat een boek!
Al jaren organiseren jullie voor Sioo ‘de systeemweek’, een week lang leren over hoe systemen werken. Of preciezer, hoe je naar systemische samenhang kunt kijken. En nog wat preciezer, hoe allerlei systeemdenkers denken. En nog wat knapper, hoe je al die systeemdenkers weer kunt clusteren in systemen van systeemdenken.
Zo kun je daar leren dat er holistische systeemdenkers zijn, denkers die de mens in of juist niet in hun systeem denken, transitiedenkers, procesdenkers, natuurwetenschappelijke systeembeschrijvers, kritische types, groepsdynamische…
Die systeemweek was van meet af aan altijd een klein feestje met enthousiaste deelnemers die dol waren op hersengymnastiek. Zo succesvol, dat het nu twee keer per jaar georganiseerd wordt. Zo succesvol dat in mei-juni zelfs een internationale systeemveertiendaagse georganiseerd wordt.
En ondertussen, terwijl wij samen bezig zijn aan een boek over Onmacht, ondertussen maken Brechtje en jij een boek waarin zo’n veertig auteurs 38 manieren van systeemdenken beschrijven en Brechtje en jij er overzichten en in- en uitleidingen bij maken. 823 bladzijden in totaal. Waarbij je zelf een hoofdstuk over Bateson schrijft, met Marijke Spanjersberg over Margareth Wheatley en met mij samen een over Sociaal construeren en een over Taleb. En ondertussen schrijven we hier en daar ook nog een artikeltje voor een tijdschrift.
Van Simon Vestdijk werd gezegd dat hij sneller schreef dan God kon lezen. Ik weet niet welke vergelijking daar nog overheen kan. En ondertussen adviseer je klanten, geef je les en organiseer je met de linkerhand de masterclasses voor de Ambachtsschool en doe je nog veel meer.
Tot zover even een paar lofprijzingen aan mijn favoriete collega. En omdat ik weet dat je daar helemaal niet tegen kan, ga nu snel door op het boek.
 
Ik ken drie prachtige metaboeken in ons vakgebied. Boeken waarin geprobeerd wordt het vakgebied samen te vatten in grotere gehelen. In metaforen, kleuren of scholen.
Voor de organisatiekunde deed Gareth Morgan dat. In ‘Images of organization’ ordent hij de hele organisatiekundige literatuur naar onderliggende veronderstellingen. Zo laat hij zien dat sommige auteurs een organisatie eigenlijk als een machine zien, anderen als een cultuur of bijvoorbeeld een psychische gevangenis. Voor de veranderkunde maakten Léon de Caluwé en Hans Vermaak zo’n overzicht. Allerlei veranderkundige theorie werd gesorteerd in vijf prachtige setjes van aannames over wat verandering is en hoe het gaat. Hun inmiddels populaire kleurentheorie beschreven ze in ‘Leren veranderen’.
Henry Mintzberg schreef ‘Strategie safari’. Hij ordent al het denken over strategie in tien scholen, tien veronderstellingen over wat strategie eigenlijk is of zou moeten zijn. Een geestverruimend boek.
Ik denk dat ‘Meer dan de som der delen’ eigenlijk ook zo’n boek is geworden. Systeemdenkers ingedeeld in tien scholen, in tien manieren van naar systemische samenhang en ontwikkeling kijken, in tien paradigma’s. Een actueel metaboek.
 
Want wat is dat systeemdenken het onderwerp van deze tijd. De boel desintegreert met centrifugaalkrachten. We hopen op een samenbrengend oranjegevoel en op nieuwe overstijgende verhalen en idealen. Psychologen en verpleegkundigen praten over verbinden, politici willen kloven dichten, tribes worden gekampvuurd, managers willen integreren, ketens worden gesmeed, netwerken gebouwd.
En het zijn nu juist de systeemdenkers die zo mooi systemisch kunnen kijken waar de samenhang ligt, waar de relaties bestaan, hoe de krachten werken. Het biedt manieren om overspannend te denken en te zien in welk groter geheel de dagelijkse dingen passen. Wat knap om daar zo’n actueel en perspectiefrijk boek over te maken!
 
Groet,  Jaap
 
 

Ontwikkelen, ontwarren en ontregelen

7 april 2019


Beste Leike,

Herken je dat? Dat je opeens in een woord hoort waar het vandaan komt en er zo een betekenislaagje bijkomt?
Ik had dat laatst bij het door ons veelgebruikte woord ‘ontwikkelen’. Zo vaak gebruikt dat het vaak sleets iets betekent als vooruitgang, groei of zoiets. Maar als je goed naar het woord kijkt is ontwikkelen ook zoiets als afwikkelen, de wikkel er vanaf halen. Zoals je een mummie ontdoet van de lappen die eromheen zitten of zoals je een sinterklaassurprise ontdoet van de hindernissen om bij de inhoud te komen.
Dat roept de vraag op waar die wikkels dan vandaan komen. Wat maakt het ingewikkeld? Kwesties die ingewikkeld zijn hebben vaak meerdere lagen, zijn eerder veelduidig dan eenduidig. Kennen vele kanten.
Dat kunnen we goed in organisaties, dingen ingewikkeld maken. Een veelheid van geschiedenissen, belangen en bedoelingen pogen onder te brengen in constructen die vervolgens een zodanig eigen leven leiden dat ze ongrijpbaar worden.
Soms maken we de zaken zo ingewikkeld dat we echt niet meer snappen hoe het zit en dan krijgen we de kinderlijke behoefte aan een gewelddadige ingreep. De knoop van ingewikkeldheid moet maar worden ‘doorgehakt’. Het voordeel aan het doorhakken van knopen is dat het symptoom voor even verdwenen is. Het lucht op en geeft weer even ruimte.
En dat is natuurlijk direct ook het nadeel; we waren niet in staat de knoop de ontwarren, we konden geen analyse maken van de belemmering. Maar we konden hem ook niet ontwikkelen: stap voor stap werken aan de ontknoping van de ingewikkeldheid.
Dat is wel het gekke van onze taal, dat er in alledaagse woordjes zoveel betekenis besloten kan liggen als je nauwkeurig luistert. Dat ontwikkelen een mooie manier is om ingewikkeldheden tot ontknoping te laten leiden en dat het ontwarren van knopen leidt tot heel andere effecten dan het doorhakken ervan. Trager, maar misschien wel duurzamer.
Ik ben de laatste tijd wat meer gespitst geworden op gewelddadige taal in ons vakgebied. Wat daarin verstopt zit. We weten natuurlijk dat veel woorden uit het strategische vocabulaire uit de oorlogsvoeringstheorie komt. Strategie, tactiek en operatie, maar ook divisies, kwartiermakers en vooruitgeschoven posten. Soms worden ingewikkelde veranderprocessen ingericht als een ‘militaire operatie’.
Een van de woorden waar ik de laatste tijd op haak is: doorbreken. Dat moet dan vooral bij gewoonten en culturen (die natuurlijk een soort collectieve gewoonten vormen). Soms vinden we dat die gewoonten of culturen niet langer gepast zijn en dat ze anders moeten, dan moeten ze worden doorbroken. En vaak is het iemand van buiten die dat moet doorbreken; hij moet ervoor zorgen dat de gewoonte stopt. Ik vraag me dan weleens af hoe dat gaat, dat zorgen dat anderen stoppen met ingesleten, vertrouwd en succesvol gedrag. Bij doorbreken zie ik allerlei duw- en trekwerk voor me, onbegrip, machteloos gedoe, ruzie.
Daarom gebruik ik zelf steeds vaker het woord ‘ontregelen’. Kunnen we proberen oude gewoonten of ineffectieve cultuurelementen te ontregelen? Verwarring toevoegen die vraagt om een nieuw antwoord? Een klein duwtje ergens geven waardoor het systeem naar een ander evenwicht gaat zoeken? Een simpele vraag stellen waardoor er een balletje gaat rollen? Ik weet het ook niet precies, maar ontregelen lijkt me een stuk respectvoller en dan doorbreken. Zo ontwikkel en ontwar je door de ontregelen.
 
Groet, Jaap

Organisatievragen