Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Dood tij  

22 juni 2022


Beste Leike,
 
Jij bent, terug uit Rome, alweer aan het werk. Ik zit inmiddels weer op mijn bootje. We zijn door allerlei gedoetjes wat later gestart dan het plan was, dus hebben we het vaardoel ‘Via binnenwateren naar Berlijn en het merengebied’ omgebogen naar ‘Duitsland’. Dan hebben we het doel snel bereikt en laten we ons verder leiden door het weer, ons humeur en suggesties die andere schippers ons doen over waar het mooi of leuk is. Zo kwamen we, op weg naar Bremen, terecht in de buitengewoon vriendelijke, lossige universiteitsstad Oldenburg. Daar raakten we aan de praat met mensen die veel in Duitsland varen en er de weg kennen. Volgens hen moesten we ook Bremerhaven zien.
 
Bremerhaven ligt aan de monding van de Weser en aan de Noordzee; een serieuze zeehaven met heel grote schepen. Om daarheen te varen vanuit het binnenland moet je niet alleen weten dat je de stroming van de rivier mee hebt, maar moet je ook op het tij letten. Eb en vloed komen tientallen kilometers het land in. De kracht daarvan kan vele kilometers per uur zijn en op het water is dat heel veel.
 
Het zou om 11.15 uur laagwater in Bremerhaven zijn, dus we moesten zorgen er te zijn voor de opkomende vloed een tegenstroom zou geven. Dat betekende vertrekken met hoogwater in Oldenburg. En we moesten rekening houden met de spoorbrug bij Oldenburg. Om daar onderdoor te varen, moet het water juist niet te hoog staan. Een goed vaarplan betekent dus flink rekenen. Onze berekening: als we om zeven uur vertrekken is de brug net te doen en komen we ongeveer rond kwart over elf in Bremerhaven aan.
 
Het mooie is, dat lukte allemaal precies. We voeren met stroom en tij mee in grote snelheid de Weser af en kwamen mooi op tijd op de bestemming. Maar voor je de haven in kunt moet je door een sluisje. Je moet dan buitengaats wachten tot de sluis je kan schutten.
Daar lagen we. Het was doodtij: het water is op zijn laagste punt, eb is voorbij en vloed is nog niet begonnen. Maar ondertussen stroomt de rivier gewoon door en de zeewind blies met windkracht 4 de bovenstroom de andere kant op. Die tegengestelde krachten leiden tot vrij hoge korte golfslag en onvoorspelbare stromingen. De stabiele werkzaamheid van een eb- of vloedstroom maakt plaats voor een vrij spel van wind, stroming in een rommelig delta-achtig rivierbed. Ondertussen komen zeeschepen langs met een forse zuigkracht en boeggolf en loodsboten die met hoge snelheid ook veel water verplaatsen. Zulk water hanteer je normaal het beste door koersvast enige snelheid te houden zodat je kunt anticiperen op wat zich voordoet. Maar als je voor de sluis moet wachten kun je alleen maar zo manoeuvreren dat je de golven zoveel mogelijk op de kop neemt om nog enig comfort en bestuurbaarheid over te houden. Dus improviseer je met heel goed kijken naar wat het water doet, en dan veel sturen en beetjes gasgeven in vooruit of achteruit.
 
Diezelfde dag kreeg ik toevallig een mailtje van een collega. Hij sprak daarin zijn zorgen uit over de wereld waarin we terecht zijn gekomen. Een stapeling van crises en de toenemende onwaarschijnlijkheid dat we die als mensen de baas kunnen.
 
Ik zag opeens de overeenkomst met mijn geklooi voor de sluis met al die ongerichte, onvoorspelbare en duistere krachten onder de oppervlakte. De hoofdstroom waarop we als samenleving voeren (fossiel, neoliberale markten, hyperindividualisering, Amerika als grote broer, etc.) is uitgewerkt en het is niet duidelijk wat een nieuwe hoofdstroom zal zijn. Tot die tijd hannesen we in verwarring en zoeken we naar mogelijkheden om al die golven, die als incident op ons afkomen, het hoofd te bieden. De politieke leiding reageert met een defensieve mengeling van oude antwoorden, rondjes draaien en uitstellen.
Maar deze week zag ik een lichtpuntje. Een minister van stikstof die de koe bij de hoorns vat en een doortastend beleid in de steigers lijkt te zetten. Waar nodig tegen de keer in. Een stoere vrouw die de kwetsbaarheid van haar blote voeten weet in te zetten tegen ruw trekkervolk. Zou dit het begin zijn van dingen echt aanpakken waar jarenlang van is weggekeken? Dat het dode tij weer levend wordt?
 
Vandaag gaan we weer terug richting Bremen. Met opkomende vloed naar buiten en dan mee met de stroom. Bestaande krachten goed gebruiken en oppassen voor die grote schepen.
 
Groet, Jaap
 
 
 

Romeintje spelen

19 juni 2022


Beste Jaap,
 
 Ik leefde een maand in Rome. Een maand in de Eeuwige Stad waar, waar je ook staat, de lagen van een paar eeuwen zichtbaar zijn. Oudheid, middeleeuwen, renaissance in een straat of buurt tegelijkertijd zichtbaar, met de verhalen die daarbij horen. In welke stad wordt er een congrescentrum gebouwd over antieke resten? Waar loop je een aan de buitenkant volstrekt onbetekenende kerk in en sta je oog in oog met Caravaggio, Bernini, Titiaan, Tintoretto? Mijn favoriete busritje? In een overvolle bus met te gladde stoeltjes over het Piazza Venezia racen (en dus van je stoeltje schuiven) met uitzicht op zowel het Colloseum als het monument voor Vittorio Emmanuele. Wat een genot om gewoon even naar de Sint-Pieter te lopen en daar – steeds weer ontroerd – naar de Pieta te kijken. Gewoon bij je om de hoek! En dan heb ik het nog niet over die prachtige markten – elke wijk heeft er een en ik heb er heel veel gezien – waar de mooiste producten liggen. Ik was een maand in een stad waar je makkelijk nog een paar maanden door kunt brengen.
 
Maar Rome is niet alleen historisch een stad in lagen, het is ook een stad van gescheiden werelden.
Ik weet inmiddels ook dat Rome leuker is van dinsdag tot donderdag. Dan zijn er nog steeds veel toeristen, maar echt heel veel minder dan vrijdag tot maandag. En dat Rome voor 9 uur leuker is dan erna. De stad is voor 9 nog van de mensen die er leven. Voordat de toeristische facades het overnemen zie je ‘s morgens vroeg poorten die openen naar een garage, vallen kleine doe-het-zelf-zaakjes en huishoudwinkels je op, blijken er in de palazzo’s kantoren, en is het Campo dei Fiori nog even vooral een groente- en fruitmarkt. Mensen voor wie deze stad gewoon de stad is waar ze wonen, reppen zich naar het werk, maken een praatje bij een koffietje. De dame die vanaf 9 uur op ‘mijn’ pleintje bedelt, stapt om 7 uur op station Termini in de bus. De stad wordt ontdaan van de enorme troep die wij als toeristen achterlaten. Na 9 uur transformeert de stad naar het toeristenoord dat ze ook is. Het toneel is in stelling gebracht. De Romeinse soldaten staan voor de Engelenburcht klaar om mensen op de foto te lokken. De bedeldame zit op de hoek van het pleintje. Het Campo dei Fiori heeft nu naast groentekramen ook kramen met limoncello in flessen in de vorm van een piemel. De stad is er klaar voor. En vanaf 10 uur trekken de groepen met fluisteroortjes in, de vrijgezellenfeestjes, de verliefde paartjes, de cultuursnuivers en alle andere toeristencategorieën de stad in. De stad als openluchtmuseum, openluchtrestaurant en -bar en winkelcentrum.
 
Voordat ik naar Rome ging, las ik het boek van Anna Lowenhaupt Tsing, De paddenstoel aan het eind van de wereld. In haar boek maakt ze door de weg van de Matsutake – een paddenstoel – te volgen, prachtig zichtbaar dat op vernietigde plekken weer nieuw leven en nieuwe gemeenschappen ontstaan. Patches noemt ze die plekken. Ze laat ook zien dat patches lichtjes met elkaar gekoppeld raken en zo grotere gehelen vormen. De Matsutake, waar het in haar boek allemaal om draait, is de verbindende schakel. Die Matsutake vertegenwoordigt in iedere patch iets anders. Het object transformeert als het ware naar iets met een andere waarde en een ander doel. Daarmee blijven de patches los van elkaar, het zijn andere subystemen. En ze zijn verbonden.
Een heel hoopgevend boek vond ik het.
 
Het was dit boek waar ik steeds aan moest denken in Rome. In de hele stad kun je zien dat op een vernietigde laag, een nieuwe laag ontstaat. En je ziet de losse koppelingen tussen werelden. Werelden die niet en ook weer wel gekoppeld zijn. De wereld van de toeristen is verbonden en niet-verbonden met de gewone leefwereld van de Romeinen. De bedelende dame is er een voorbeeld van: in de bus is ze echt iemand anders dan op dat pleintje. Op de markten loop je als toerist in dezelfde context maar echt in een andere werkelijkheid dan de gewone Romein. En die Romein gaat daar ook vanuit. De puntarelle, cime di rape of uien uit Calabrië worden jou als toerist niet aangeprezen.
 
Het leuke van een maand in Rome, is dat je niet alleen maar in de toeristenbubbel kunt rondlopen. Je moet die wereld in die normaal niet voor jou als toerist bedoeld is. Want waar haal je anders in vredesnaam wasknijpers voor je Romeinse waslijntje? Of mierenlokdoosjes tegen de mieren die bij die grote hitte ineens door je appartement lopen? En je kunt toch niet een hele maand zwijgend langs je buurman lopen die drie keer per dag zijn kat uitlaat? Maar de doorgang vinden tussen de toeristenbubbel en de bubbel van het gewone leven is in Rome best lastig. Taal speelt een rol, het nog steeds verplichte mondkapje ook, maar meer nog het vanzelfsprekende gegeven dat jij niet tot die andere wereld hoort, dat je er niks te zoeken hebt of wilt hebben.
Het duurt even voordat je het gangetje tussen twee werelden vindt en ook in die andere wereld zichtbaar wordt. In mijn favoriete cafeetje valt het op een gegeven moment op dat ik er langer bent dan de gemiddelde toerist. En het duurt een paar weken voor de dame van mijn favoriete groentekraampje tegen mij een lofzang begint op haar agretti en cicoria.
 
Nu met andere ogen weer thuis. Want die patches, de vanzelfsprekendheid waarmee ze gescheiden zijn, de lichte koppeling waardoor ze toch hecht verbonden zijn en het smalle gangetje dat je moet leren begrijpen? Wij hebben ze ook. Ik kijk ernaar uit om me daar eens wat meer in te gaan verdiepen.
 
Groet, Leike

Crisisverander-kunde: over een smid die bang is voor heet ijzer

9 juni 2022


Beste Leike,

Je schreef dat het krakeel in de wereld je vaak sprakeloos maakt. Ik heb net zoiets. De wereld om ons heen loopt zo uit de hand, en iedereen vindt er wat van op (social) media. Over de oorlog in Oekraïne (wel of niet escaleren) durf ik niks te zeggen, dat overzie ik niet. Reden om mijn klep te houden. Maar aan de andere kant meen ik soms dingen goed te kunnen zien vanuit ons veranderkundig ambacht…. over het besluiteloze management van ons land denk ik bijvoorbeeld wel wat te mogen vinden.

We zitten in een hele serie crises – biodiversiteit, klimaat, vermogensverschillen, een disfunctionerende overheid, een afbrokkelende rechtsstaat die ons voortbestaan op de helling zetten. De effecten ervan merken we dagelijks: er zijn rijen, tekorten, geen nieuwe electriciteitsaansluitingen, wachtlijsten voor van alles. En we hebben schandalen, zaken waarvan we dachten dat die nooit bij ons zouden gebeuren: de toeslagenaffaire, de discriminerende algoritmes, een inklappend vertrouwen in de toekomst en elkaar.

We zien hoe de homo economicus, de held van het neoliberalisme, is verworden tot een egoïstische korte-termijndenker die diep in ons redeneren verankerd is geraakt. Een samenleving zonder veel samen.

En wat doet onze regering? Die suggereert dat we dit alles de baas kunnen zonder ingrijpende veranderingen. Ze kiezen voor meer van hetzelfde. Een wegverbreding realiseren door het slopen van bomen bij Amelisweerd en gas boren boven Schiermonnikoog om te blijven voorzien in de stookbehoefte van chrysantenkwekers. Ze stoppen voor de twintigste keer nog wat meer geld in KLM, terwijl we weten dat die bij lange na niet op tijd kunnen zijn in hun CO2-reductie.

Onze collega Aris van Veldhuizen sprake ooit over ‘arranging deck chairs on the Titanic’ toen het ging over het bijpunten van een opleidingsprogramma waar de aanmeldingen in snel tempo voor wegvielen. Je blijft met het bestaande denken hopen iets te kunnen veranderen aan de problemen die je ermee veroorzaakte.

Terwijl er nu momentum is: never waste a good crisis. Nog nooit was deze uitspraak zo relevant als nu.

Geven die crises niet juist ruimte om zaken aan te pakken die op andere momenten onmogelijk lijken? Nu wordt vooral onze machteloosheid benadrukt. Bij urgentie staan mensen vaak juist in de startblokken om een bijdrage te leveren. Nog nooit waren er zoveel mensen die vrijwillig de thermostaat een graadje lager zetten. Vanwege de hoge rekening èn omdat we Poetin niet willen steunen. Waarom nu niet doorpakken, even pijn lijden, maar dan zijn we ook een flink stuk van het gas af. Door Corona ontdekten we de mogelijkheid van thuiswerken, waarom dan niet het vraagstuk van verkeer en wegenbouw echt anders aanpakken? Waarom nu niet rigoureus de jeugdzorg anders organiseren, het toeslagendebacle anders oplossen dan we gewend zijn?

Maar we laten de ene crisis na de andere escaleren. Colijn riep ons op rustig te gaan slapen op de avond van 9 mei 1940, dit kabinet doet niet anders. Churchill daarentegen hield vier dagen later zijn historische toespraak over ‘Blood, toil, tears and sweat’. Hij mobiliseerde de Britten niet door te zeggen dat het allemaal wel los zou lopen, maar door de opgave juist groot en zwaar te maken.

We leven in een periode dat we moeten leren omgaan met minder, met schaarste, met dat het niet meer blijft zoals het was. Wij, de burgers, willen niet machteloos toekijken of horen dat we individueel wel een bijdrage kunnen leveren. We willen wat doen; in gezamenlijkheid en effectief. Die pijn is nodig, dat snappen we.

Je kunt van een platform niet zomaar een burning platform maken als het niet fikt. Maar we hebben nu een hele serie ‘burning platforms’ en we gaan erop af met vier BHV-ers met een brandblusser…

Groet, Jaap

Tik.Tok

5 juni 2022


Beste Jaap,

 

Ik schreef al een hele tijd niks. Daar heb ik wel vaker last van als het gekrakeel in de wereld me sprakeloos maakt. En dat doet het de laatste tijd behoorlijk. Wat moet je dan nog zeggen? Wat doet een observatie, een mening, een idee of een gedachte er dan nog toe? Alles is al een keer gezegd en geschreven. En maak ik het zelf niet erger door er ook weer een mening tegenaan te gooien? Waarschijnlijk wel. En toch staan mijn vingers nu op het toetsenbord, want sprakeloos toekijken, da’s het toch ook niet helemaal.

 

Ik zit alweer een tijdje hier in Rome en ik krijg niet alles realtime mee van wat er in Nederland gebeurt. Heel erg louterend is dat. Je gaat er patronen scherper van zien. Vanuit Rome ziet bijvoorbeeld het debatpatroon in de Nederlandse politiek er als volgt uit: de media berichten iets; de Kamer wil er een debat over; politici maken filmpjes en berichtjes op Twitter/Tik.Tok/Insta met hun eigen standpunt; die krijgen ook weer aandacht in de media; debat wordt welles-nietes tussen Regering en Kamer waarbij ze boos refereren aan elkaars social media-uitingen; waarna ze elkaar van onsportiviteit beschuldigen; daarmee weer materiaal verzamelend voor een volgend Twitter/Tik. Tok/Insta-bericht.

Zo’n debat over dat realtime archiveren van Rutte bijvoorbeeld laat van een afstandje goed zien op wat voor een politiek dieptepunt we terecht gekomen zijn. Ik kijk naar mensen die mediamomenten zoeken, alsof ze in het debat op zoek zijn naar de beste pose voor een selfie. Ik kijk naar mensen die lijken te denken dat debatteren vliegen afvangen is. Ik kijk naar gekissebis in plaats van naar een debat. Ik kijk naar onmacht die ontstaat als het debat improductief blijft.

Veel van de debatten die zo verlopen, gaan eigenlijk niet over de inhoud, maar over de spelregels en de organisatie van de samenwerking tussen regering en kamer.

 

Debatteren doe je op inhoud. Daar kun je van mening verschillen, agree to disagree, hard tegen hard op wat belangrijk voor je is. Een debat werkt, als rollen en spelregels niet steeds ter discussie worden gesteld, als dat fundament stevig is. Het debat over Ruttes Nokia was geen inhoudelijk debat. Dit ging over die rollen en spelregels, over hoe Regering en Kamer georganiseerd zijn, en wat daarin kan en mag, waarbij in de onderstroom van alles over de onderlinge betrekkingen en meningen over elkaar werden meegecommuniceerd. Dat zijn lagen die allemaal vragen om een ander gesprek, met een andere gespreksvorm, een andere agendering en een andere volgorde van spreken. Het vraagt onderzoekend verkennen, je eigen rol en die van de ander zien, zoeken hoe je verstrikt bent geraakt in oude patronen terwijl nieuwe technologie daar niet meer op past, het vraagt handen in eigen boezem en uitgestoken naar elkaar. Om vervolgens wijze beslissingen te nemen over hoe je je wilt organiseren.

 

Maar de Kamer heeft geen metapositie van waaruit ze het kunnen hebben over het bestel. Je zou wensen dat de kamervoorzitter die mogelijkheid had. En dat Kamer en Regering daar dan ook in kwetsbaarheid en beslotenheid het gesprek over zouden voeren. Ik vrees dat het er niet snel zal komen. Een Tik.Tokfilmpje waarin een zelfbenoemde held de ander de oren wast is in de huidige politiek aantrekkelijker.

 

Groet, Leike

Haantjescultuur

10 februari 2022


Beste Leike,
 
Ik ben Amsterdammer van geboorte -en zoals een collega ooit zei- uit overtuiging. Ik hou van die stad met zijn vrijgevochten anarchisme en vernieuwingsdrang en ontregelende humor, die ook zoals Eberhard van der Laan zei, een ‘lieve stad’ is. Ook een warm hart en grootmoedigheid worden er op prijs gesteld. Het is ook de stad van gogme: met lef en bravoure zorgen dat het geluk jouw kant op komt. Zelfvertrouwen niet als effect maar als oorzaak van je gedrag.
Dus ben ik ook al mijn leven lang een Ajaxfan, al is het een beetje haat-liefde: een vereniging ombouwen naar een beursgenoteerd bedrijf en een stadion met de akoestiek van een sportfondsenbad. En nu ook een schandaal met een dickpicsturende directeur. Haantjescultuur staat in de krant. Net als bij de Voice (nooit gezien, geen fan van) loopt iedereen verbijsterd te hoop van zoveel schandalig en onbegrijpelijk gedrag. De verontwaardiging zo luid etaleren lijkt een effectieve manier om te laten zien dat je dit soort gedrag veroordeelt en dat je dus in het goede kamp zit.
 
Laten we wel wezen, het is niet raar om verontwaardigd te zijn over het gedrag van die directeur. En je kunt geschokt zijn over de cultuur waar die uit voortkomt. Daarmee stel je iets aan de kaak, maar verontwaardiging alleen helpt je niet als je de cultuur wilt veranderen.
Een cultuur veranderen betekent allereerst begrijpen hoe en waarom die cultuur is ontstaan en welke functie zo’n cultuur heeft voor het systeem. En begrijpen is iets anders dan begrip hebben voor. Dat laatste is een opvatting, het eerste een onderzoekende activiteit.
Om het te begrijpen passen vragen als: Past die haantjescultuur misschien bij de manier waarop Ajax functioneert? Alle aandacht op presteren? Bikkelharde competitie om in de basis te komen of te blijven? Salarissen die het gevoel geven dat je geen gewone mensen bent? Handel in mensen? Bravoure?
Voetbal is bovendien verworden tot een sport waarbij de regels niet meer gelden. Dat wil zeggen, ze gelden niet als de scheids niet ziet dat ze worden overtreden. Niemand kijkt er meer van op als alle armen omhooggaan bij een uitbal; ook degene die duidelijk als laatste de bal raakte claimt dat hij nu in mag gooien. Vroeger noemden we dat gewoon valsspelen, nu kijkt niemand ervan op dat sportiviteit het spel verlaten heeft. En dan zijn er ook nog sportjournalisten die een wedstrijd ‘mannelijk’ noemen als er op het randje van het toelaatbare wordt gevoetbald.
Is het gek dat in een wereld met een dergelijk primair proces de normen dubbelzinnig zijn? Regels om te overtreden en onbetrapt wegkomen? Of dat je probeert alles in je eigen voordeel uit te leggen? Dus begrijpen dat het gebeurt kan ik misschien nog wel.
 
Maar een foto sturen van je onderdeel, in de blije verwachting dat een mevrouw dat ongevraagd leuk vindt, vind ik echt onbegrijpelijk. Daar heb ik geen enkel begrip voor.
 
Groet, Jaap

Escalatiepreventie

31 januari 2022


Beste Leike,
 
Onlangs organiseerde een projectontwikkelaar een avond over zijn plannen voor een stuk land in onze buurt. Eigenlijk een heel aantrekkelijk verhaal, vond ik. Een doordachte visie, prachtige beelden, mooi verhaal, goed verteld.
Dat wat meestal gebeurt, kun je uittekenen. Het patroon is altijd hetzelfde. Er zijn buurtbewoners die alle verandering achteruitgang vinden, of die een andere smaak voor architectuur hebben, of zich zorgen maken over parkeerproblemen of wat dan ook. De meer neutrale toeschouwers voegen zich in hun mening bij de kritische buren, want kritisch of niet, je hebt ze morgen nodig voor een kopje suiker. Vervolgens speelt zich een spel af van aanval en verdediging tussen ontwikkelaar en kritische betrokkenen. De ontwikkelaar zoekt draagvlak voor zijn mooie plan, hij wil verder. Alle kritische vragen van bewoners worden gepareerd met een slim antwoord en als het slimme antwoord ontbreekt worden er kluitjes verzameld om mensen mee het riet in te sturen.  Maar wakkere waarnemers laten zich niet om de tuin leiden. In de groepsdynamische escalatie die vervolgens plaatsvindt, verschuift het inhoudelijke vraagstuk dat eerst nog midden op tafel lag naar elders, meestal ergens tussen de natte jassen in de vestibule. Alle aandacht verschuift naar de goedverstopte gaten in het betoog van de tegenstander.
 
Je kent mijn voorkeur om bij plannen altijd een bijsluiter bij te voegen (wat zijn bijwerkingen, wat contra-indicaties en wat te doen bij klachten). Een van mijn buren kende die redenering ook en hij ontregelde het te verwachten patroon prachtig. Na de inleiding vroeg zij als eerste bewoner het woord: “Ik vind het een heel interessant en misschien ook erg aantrekkelijk plan dat u daar presenteert. U heeft daar al goed over nagedacht. Waarschijnlijk met het nodige wikken en wegen. Kunt u ons eens vertellen over de dilemma’s in het ontwerp? U vertelt ons nu een verhaal met de voordelen van het plan, maar zoals bekend ‘hep ieder voordeel ook ze nadeel’. Daar heeft u vast over nagedacht. Kunt u ons ook iets vertellen over de nadelen?”
Het was een wat ontregelende vraag, maar tot mijn plezier, ging de ontwikkelaar naar een paar aanvankelijk defensieve reacties, in op haar vraag en kwamen ook een paar dilemma’s, ongerijmdheden en suboptimale keuzes op tafel. Het werd een heel ander gesprek met de buurt. Meer onderzoekend, meer nuance, meer oog voor het arbitraire van sommige afwegingen. In plaats van tegenover elkaar en met het vraagstuk in de garderobe, kwamen we naast elkaar te staan en keken we samen naar de verschillende kanten van het vraagstuk.
 
Zouden we dat ook niet vaker moeten doen, vraag ik me af, de bepleiter van A altijd vragen wat de schaduwkanten ervan zijn voordat anderen daarop losgaan? Als de inleider zelf de nuance inbrengt, nodigt dat uit tot een evenwichtiger en inhoudelijker gesprek?
Moeten we niet consequent vragen naar de nadelen van de voordelen, of naar hoe het zou zijn als het helemaal loopt zoals door de spreker gewenst: Wat als het lukt?
Zouden we dat vaker aandurven met elkaar? Om als het vruchteloos dreigt te worden, de zaak te ontregelen opdat er een echt gesprek tot stand kan komen? Met doorvragen aan pleitbezorgers in plaats van ze te bestrijden met andere ideeën?
 
Of zou deze aanpak nu ook weer allerlei onvoorziene nadelen hebben, wat denk jij?
 
Groet, Jaap
 
 
 
 
 
 

Im Osten gibt es Neuigkeiten

22 januari 2022


Beste Leike,
 
In mijn familie was het ongepast een Duitse auto te rijden. Ver na de oorlog wilden we altijd nog als eigentijdse helden wraak nemen op onze Oosterburen. Naar Duitsland op vakantie? Uit principe niet. Als een Duitser de weg vroeg, stuurde je hem vier keer linksaf.
De Engelsen en de Amerikanen daarentegen, die hadden ons bevrijd, die verdienden onze eeuwige dank en bewondering. Dat richtte de blik in niet alleen mijn familie maar van het hele land zo ongeveer. Dus luisterden we naar Elvis en de Beatles, droegen we spijkerbroeken, keken we naar Hollywoodproducties en lazen we ‘great American novels’. Nog altijd volgen we de politiek in de USA beter dan die bij de buren (Hoe heet die nieuwe bondskanselier ook weer?). Die focus op het westen was wederzijds. Voor de VS was Europa jarenlang de natuurlijke bondgenoot en handelspartner. De daarbij passende Amerikaanse politiek van culturele dominantie in het westen is goed geslaagd; we nemen bijna alles over wat daar gebeurt. Of het nu gangstarap is of Netflix, of het om paranoïde samenzwering gaat de preutsheid van Facebook of de inval in Irak, we volgen een land waarvan ik denk dat het hoe langer hoe meer de weg kwijt is.
 
Ook in ons vak worden we al jaren bedolven onder de Angelsaksen. En het zijn vooral de Amerikanen die onze kijk op organiseren en veranderen domineren Let eens op de Engelse woorden die in ons vak zo gewoon zijn: management, change, lean, CEO, agile, meeting, HR en finance. Of neem bijvoorbeeld eens de gebroeders professor Ten Have[1] die veranderkundige theorieën onderzoeken op hun houdbaarheid: de literatuurlijst bestaat uitsluitend uit Amerikaanse theorie.
 
Terwijl er met een blik oostwaarts zoveel moois zichtbaar wordt. Jij schreef een mooi stuk over het begrip resonantie dat de socioloog Hartmut Rosa in zijn vuistdikke boek onderzoekt en uit de doeken doet. Ik herlees op dit moment Woede en Tijd van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, over hoe woede als onuitputtelijke bron van energie de tijdgeest richting geeft. Ook al zo actueel. En eerder lazen we Niklas Luhmann, een andere Duitse socioloog met een mooie dwarse kijk op bijvoorbeeld macht en vertrouwen.
Ik realiseer me dat we steeds vaker bij Duitsers terecht zijn gekomen voor het broodnodige originele en diepgravende begrip van onze tijd. Gek eigenlijk hoe blind we daarvoor waren.
 
Dus hoe fijn en verstandig zou het zijn als we in onze vakontwikkeling onze blik eens meer oostwaarts zouden richten. Naar Een bloeiende democratie en economie en onze grootste handelspartner. Naar het land van het Wirtschaftswunder, de Energiewende en een kabinetsformatie waar men in korte tijd een echt vernieuwend programma durft af te spreken. Niet een land van draagvlak of haalbaar en betaalbaar, maar een land van ‘Wir schaffen das’ en we bieden jullie wat IC-bedden aan. Daar kunnen we wel wat van leren, lijkt me.
 
Alleen dat woordje Führer zit me wat dwars als we het in ons vak over leiderschap zouden hebben. Maar ik vond leiderschap toch al een overschat fenomeen.
 
Groet, Jaap

[1] Reconsidering change management, applying Evidence-based insights in change management practice. Routledge 2017

Emocentrisme

9 december 2021


Beste Leike,

Lijkt het nou maar zo, of worden we steeds emotioneler met elkaar? Neem nou Twitter. Mijn tijdlijn vertoont alle kleuren van het emotionele spectrum. Cynisme, wanhoop, woede en verontwaardiging over wat er met ons en onze maatschappij gebeurt; dankbaarheid, (al dan niet passief-agressieve moeder-) liefde, gevoelens van verbinding en verbazing over het schone en mooie dat er ook is. Ook ik merk dat ik vaker de neiging heb om mijn emoties de boventoon te laten voeren. Mijn irritatie over een wanpresterend kabinet dat blijkbaar niet voor een derde keer naar huis gestuurd kan worden. Mijn angst over al die verruwingen en onderlinge bedreigingen op social media en daarbuiten. Mijn zorgen om het klimaat, de biodiversiteit, de pandemie met nieuwe varianten. Over de kloven tussen rijk en arm, en kansrijk en kansloos, over de macht van de technologie en wie daarvan gebruik kan maken.

Ik ben vast niet de enige die worstelt met die emoties, want de populariteit van de stoïcijnse filosofie neemt toe. De stoïcijnen stellen dat het individu zijn gevoelens, emoties en handelingen onder controle dient te hebben, en zich niet negatief moet laten beïnvloeden door de wereld daarbuiten. Dat klinkt als het perfecte copingmechanisme voor onze tijd: beperk je tot je cirkel van invloed. Maar dat betekent ook dat je je emoties reguleert en onder controle houdt. Dat wat René Gude humeurmanagement noemde.

Het zou een individuele oplossing kunnen zijn, maar ik denk dat het niet alleen meer een individueel verschijnsel is. Zijn we nou collectief emotioneler dan tien jaar geleden? Dan in de jaren vijftig? De rol van emoties lijken in het maatschappelijk bestel enorm toegenomen. Van een samenleving die in de jaren 50 nog was gebaseerd op wederopbouw en ‘niet zeuren’, via de emancipatie van het gevoelsleven in de jaren 70 tot de huidige tijd waarin ‘feelings are facts’ en uitvergroten van ‘de onderstroom’ in de mode zijn.

De emoties zelf zijn vast niet meer of minder geworden, maar de manier waarop ze zichtbaar worden, of meer nog de manier waarop ze bepalend zijn, wel. Emoties lijken op die manier steeds minder particulier en steeds meer het belangrijkste vehikel voor het maatschappelijk debat. En daarmee overstromen ze nogal eens de rol van de ratio.

Ik vraag me af of die nadruk op emoties niet een logische uitloper is van de uit de hand gelopen individualisering van wat we nog steeds een samenleving noemen. Niet alleen het persoonlijke is politiek, maar ook de politiek is persoonlijk geworden.

In Onmacht beschrijven we twee belangrijke bronnen voor die individualisering: het neoliberalisme en het postmodernisme. Het neoliberalisme gaat uit van het eigenbelang van het individu: het eigenbelang van de consument stuurt met een onzichtbare hand via de markt het eigenbelang van ondernemers. Egoïsme als motor van economie en maatschappij.

Het postmodernisme kleurt in hoe we de werkelijkheid beleven. Die is daarin subjectief: ieder heeft zijn eigen waarneming, zijn eigen werkelijkheid, zijn eigen waarheid. Egocentrisme als het venster op de wereld.

Dat we daardoor in een verregaand individualisme terechtgekomen zijn, daarover is geen twijfel. Maar raken we inmiddels niet in een volgende fase van individualisering? Een fase waarin emoties niet langer gehanteerd worden als persoonlijke gewaarwording, maar als maatschappelijke feiten waar anderen verantwoordelijk voor zijn? Mijn emotie is jouw probleem.

Bewegen we naar we ondertussen via egoïsme en egocentrisme naar een tijdperk van EMOcentrisme?

 

Ik vind het een angstige gedachte…

 

Groet, Jaap

 

 

Je zal ons maar in je klas hebben!

28 november 2021


Beste Jaap,

 

Tja, echt gezagsvolle bovenmeesters lijken Mark en Hugo niet meer. Maar je zal ons als bevolking maar in je klas hebben. Wat een opgave!

We kunnen allerlei factoren noemen waarom het gezag tanende is, maar misschien moeten we ook eens naar onszelf kijken. De coronacrisis laat weliswaar in versneld tempo de kaalslag zien van twintig jaar verzelfstandigen, verzakelijken en sturen op efficiency, maar misschien toont het ons ook de beperkte houdbaarheid van een aantal ideeën over het richten van gedrag.

 

Zo blijkt de Why nog niet zo richtinggevend. En dat terwijl juist nu die Why heel helder is. Gewoon met zijn allen zorgen dat we dat virus onder controle krijgen. De theorie zegt dat als de Why betekenisvol is, het voor ons makkelijk is om ons handelen erop af te stemmen. Bij de eerste lockdown voelden we hem allemaal, die Why, maar nu het allemaal langer duurt, vinden we het als bevolking toch lastiger dan de theorie ons belooft. Ons gedrag schiet alle kanten op.

 

Wat me brengt op een volgende tegenvaller. We blijken ook al geen zwerm die met minimale regels tot zelforganisatie komt. Zwermen, zo zegt de theorie, hebben maar een paar ‘regels’ nodig om toch ‘in sync’ tot samenhang en zelfsturing te komen. Bij vogels is dat zoiets als: vlieg ongeveer even hard, hou de afstand tot je buren in de gaten, en vlieg ongeveer dezelfde kant op als je voorgangers. Uit die simpele regels ontstaat de grote elegantie van die prachtige harmonieuze patronen van bijvoorbeeld een zwerm spreeuwen aan de zomeravondhemel.

Voor ons in coronatijd zijn de zwermregels: als het niet echt noodzakelijk is blijf thuis; vermijd drukte; als je klachten hebt blijf thuis en laat je testen, hou 1,5 meter afstand; en dan nog dat handenwassen en hoesten in je ellenboog. Makkelijk genoeg zou je zeggen.

Maar we zijn geen vogels. Velen gebruiken de regels om te kijken wat nog net kan en zoeken daarin de randen op, net te weinig afstemmend op wat nodig is voor het grotere geheel. We calculeren de winst toch erg graag naar onszelf toe, zoeken de ruimte die voor ons persoonlijk van belang is, en overtuigen onszelf dat wij best de uitzondering mogen zijn.

 

Nog zo’n tegenvaller: niet alle mensen deugen. En juist die mensen vinden dat ze als uitzondering niet krijgen waar ze recht op hebben. We worden – vaak geholpen door de (social) media – geconfronteerd met nare, niet-deugende gevaarlijke demagogen, rellers, onbeschoften en respectlozen die een steeds sterker stempel lijken te drukken op deze tijd. Er ontstaat een bijna toxische cocktail van individuele vrijheid en vrijheid van meningsuiting. Beide een groot goed, maar in deze spanning soms verwordend tot het betwisten of bevechten van elkaars vrijheid. Vrijheid die we voor onszelf opeisen, maar een ander soms niet gunnen.

 

Dit zijn tijden van belangenverschillen, schaarste en spanning. Tijden van rommelige oplossingen, van niet weten en het niet voor iedereen goed kunnen doen. Tijden waarin het voor niemand leuk is, maar waar we samen doorheen moeten. Tijden waarin we moeten aankunnen dat het niet altijd voor iedereen leuk of eerlijk is, dat harde keuzes gemaakt moeten worden terwijl we ook zacht moeten blijven met elkaar. En hoewel de meeste mensen zich – al dan niet zuchtend – aan de maatregelen houden, is het misschien ook tijd om een aantal opvattingen over onszelf te herzien. Ze passen misschien beter in tijden van overvloed en rust.

 

We kunnen niet alles wat gebeurt toedichten aan onze bovenmeesters. Misschien zegt wat zij doen wel meer over onszelf dan over hen en moeten we ook naar onszelf kijken. En misschien hebben we daar dan ook wat andere modellen voor nodig.

 

Groet, Leike

 

 

De bovenmeester kan geen orde houden

24 november 2021


Beste Leike,

 

Opeens viel bij mij het muntje. Het kabinet kan geen orde houden!

Onze nationale bovenmeesters Hugo en Mark doen hun stinkende best om de klas in toom te houden en uit te leggen dat het aan ons eigen gedrag ligt, maar de klas heeft ontdekt dat de beloften loos zijn, dat de prognoses voorspelbaar te optimistisch zijn en dat er geen koers en geen plan is, de kast ligt vol ongebruikte routekaarten.

Hoe kon het toch zo komen dat na een veelbelovende start als crisismanagers het kabinet nu de speelbal is geworden van een ongesorteerde partij maatschappelijke krachten? OMT-leden die in talkshows hun eigen visie geven, de baas der kroegbazen die vertelt dat hij zich niets zal aantrekken van maatregelen, burgemeesters die aankondigen niet te gaan handhaven, verpleegkundigen die code zwart zien komen terwijl het kabinet dat niet ziet, rellende jongeren, grote tekorten in de zorg en bij de politie? Een klimaat waarin redelijkheid in de discussie plaats heeft gemaakt voor verwijten en polarisatie over een vraagstuk dat van huis uit een apolitieke gemeenschappelijke vijand is?

Komt het omdat hun gezag ernstig is aangetast? Omdat er weinig verkiezingsstrijd was door Corona en er na de verkiezingen weinig veranderde? Omdat de toeslagenaffaire het vertrouwen in de overheid verder ondermijnde dan gedacht? Omdat het kabinet zo lang min of meer demissionair is en een nieuw kabinet een herhaling van zetten lijkt te worden? Zou het ertoe doen dat de premier gewantrouwd wordt door vrijwel alle coalitiegenoten? En dat het erop lijkt dat hij gewoon terugkomt terwijl zijn teflonlaag steeds meer krassen vertoont?

Komt het door de adviseurs? Een OMT dat vol zit met techneutische dokters, maar waar de verslavingsarts ontbreekt die verstand heeft van wat er gebeurt als je aan ingesleten gedrag komt? Dat er naast het OMT dwarse geluiden lijken te ontbreken, zoals bijvoorbeeld die van het Redteam, waarin ook deskundigheid op het gebied van onverwachtheden, complexe systemen, sociologie en wiskunde samenkwamen?

Of komt het door de zorgcapaciteit? De langjarige sturing op marktwerking en efficiency heeft de organisatie van de zorg zo fragiel gemaakt dat bij een crisis ontbreekt wat nodig is: redundantie, centrale sturing en gezagvol moedig leiderschap?

Misschien is de vraag inmiddels wel of je in een dergelijke situatie nog wel orde kan houden? Kan je polderend wel vat krijgen op een krachtenveld dat om snel en krachtig ingrijpen vraagt? Want ze zullen toch wel snappen dat zo’n crisis geen lineair verschijnsel is waarmee je kunt onderhandelen? De huidige maatregelen doen anders vermoeden: onsje mondkapje erbij, lockdown halfuurtje verlengen, op het terras geen code nodig maar als je binnen moet plassen wel. En of de intocht van Sinterklaas een doorloopactiviteit is of juist geplaceerd, beslist uw eigen burgemeester…

Je kunt toch niet finetunen als je nog geen 5% begrijpt van wat 100% van je handelen betekent? Dan krijg je maatregelen die in een ingewikkelde context als deze niet te snappen zijn. Terwijl alleen begrijpelijke maatregelen kunnen worden nagevolgd. Hoe kun je mensen verwijten dat ze regels niet volgen als die inmiddels geheel ze onbegrijpelijk zijn?

Het wrange is dat Hugo onderwijzer is. Eentje die almaar ijsvrij belooft in maart. En Rutte…, ik krijg het zo op mijn heupen als ik Mark “Actie, actie, actie” hoor roepen in Glasgow om daarna alleen maar holle woorden te verspreiden. Als een F-je dat technisch vaardig manoeuvreert op de vierkante meter, maar geen idee heeft waar het doel is.

Zo verwerf je geen gezag en zonder gezag geen orde.

De klas keet en joelt, wachtend op de vrije dag om te gaan schaatsen.

 

Groet, Jaap

Organisatievragen