Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

Organisatie of mechanisatie

2 december 2019


Beste Leike,
 
Het is alweer dertig jaar geleden dat ik tijdens mijn opleiding bij Sioo het boek “Images of organization” van Gareth Morgan las. Toen al een prachtboek en nog steeds een klassieker. Morgan deelt in zijn boek de organisatiekundige literatuur in aan de hand van onderliggende veronderstellingen. Elke theorie over organisatieontwerp of –verandering is gebaseerd op onderliggende, vaak impliciete uitgangspunten. Morgan beschreef negen van die onderliggende paradigma’s in de vorm van metaforen. Zo kun je een organisatie bijvoorbeeld beschouwen als een specifieke cultuur met symbolen, rituelen en onderliggende waarden. Of je kunt naar een organisatie kijken als een instrument van onderdrukking, of als een organisme, of als een psychische gevangenis.
 
De eerste metafoor die hij beschrijft, is de machinemetafoor. Deze metafoor gaat ervan uit dat organisaties dingen zijn die je kunt ontwerpen, repareren, onderdelen vervangen, herontwerpen en besturen, zoals je dat met auto’s doet. Dan denk je in radartjes, smeerolie, harde schijven, SMART en allerlei andere handigheidjes uit de gereedschapskoffer van de ingenieur. Hoevelen in ons vak spreken niet over hun ‘toolbox’?
Ik weet nog dat we vooraf een huiswerkje moesten maken en dat bleek dat we bijna allemaal dominant de machinemetafoor als uitgangspunt namen.  Er was sprake van veel maakbaarheid en lijnrechte oorzaak-gevolg-redeneringen. We schaamden ons daar een beetje voor, want uit Morgans boek bleek hoe anders en verrassender je kon kijken!
 
Dat machinedenken zat (en zit vermoed ik) erg in onze paplepel. Fabrieken waren na de oorlog de hoeksteen van herrijzend Nederland. Organisaties waren zelf de machines die ze bevatten. Onze huizen staan inmiddels overvol met spullen en we hebben meer voedsel dan we kunnen eten: maken en produceren staan centraal. We zijn opgevoed met ‘meten is weten’ en ‘gissen is missen’. Alsof de kortste weg altijd een rechte lijn is. Focus op mechanisme in plaats van organisme, mechaniseren in plaats van organiseren. Een soort van denken dat past op eenvoudige vraagstukken, maar tekortschiet als het complex wordt.
Het schiet tekort op veel van de vraagstukken van nu.
 
Want is het klimaat een technisch vraagstuk of is het vooral een politieke puzzel van besluiteloosheid en ‘na-u-gedrag’? Is populisme op te lossen met algoritmen, of moeten we eerst kijken naar de depolitisering van de politiek in afgelopen decennia? Is de vermogenskloof tussen individuen, landen en werelddelen met technische middelen op te lossen of vraagt dit eerst en vooral om de blik van historici, economen, sociologen?
En geldt datzelfde niet voor organisaties? Zijn de vraagstukken in organisaties in onze tijd nog op de lossen met het smeerolie- en radartjesrepertoire of gaat het steeds meer over hoe organisaties mensen in staat stellen om met processen van betekenisgeving te handelen in een steeds minder begrijpelijke en voorspelbare wereld? Hebben we geen lokale ruimte, slimheid en pragmatiek nodig om de centrale bestuurbaarheidsillusies van de machine te vervangen?
 
Niet zo lang geleden waren we allebei betrokken bij een groot bedrijf waar de CEO werd gewisseld en de nieuwe bovenbaas alles anders ging doen. Hij benoemde gelijkdenkenden in de top en richtte zich op het ‘weer bestuurbaar’ maken van de organisatie. Weg met ingewikkelde decentrale besturing. Hij verkocht haast als snelheid en koos voor de klassieke hiërarchie, voor centralisatie van besluitvorming, voor het uniformeren van bedrijfsprocessen, sturen op KPI’s. Een fijnmazig netwerk werd met een bulldozer stukgemaakt in en gelijkvormige hokken gestopt.
Ik kreeg het beeld van machinedenken maar niet uit mijn hoofd. De man leek de baas te zijn geworden van een mechanisatie, niet van een organisatie. Ik heb mijn aandelen snel verkocht.
 
Groet, Jaap

Roze olifanten

20 november 2019


Beste Jaap,
 
Mag ik het in deze tijden van Zwarte Piet eens over een heel andere gekleurde verschijning hebben? De roze olifant? Steeds vaker hoor ik namelijk dat die in de kamer staat. ‘We hebben hier een roze olifant in de kamer.’ Als uitdrukking voor iets wat iedereen weet maar niet zegt. Een interessant staaltje taalontwikkeling volgens mij.
 
De Britten hebben het gezegde ‘the elephant in the room’. Het betekent dat er een groot geheim aanwezig is, waar iedereen bekend mee is, maar wat niemand zegt. Heel Angelsaksisch, heel erg Downton Abbey. Allemaal weten dat de jongste bediende ‘down stairs’ eigenlijk de zoon van je opa is. Dat soort dingen.
Voor zover ik weet, hebben we die olifant in de kamer als gezegde van hen gejat.
 
Ik leerde vroeger dat de Fransen, als ze door alcoholisch genot in een delier terecht kwamen, roze olifanten zagen. Fascinerend vond ik dat, dat wat je in een delier ziet, landelijk bepaald is. Dat ALLE Fransen met een delirium roze olifanten zagen. Maar goed, de uitdrukking ‘roze olifanten zien’ wil zeggen dat hallucineert. Het Belgische bier Delirium heeft om die reden een roze olifant.
 
Ik hoor de afzonderlijke gezegdes nooit meer. Wij Nederlanders trekken ze samen. Ik hoor alleen nog maar van roze olifanten in de kamer. Hoe is dat nou gekomen? Iets met klokken en klepels? Hebben we van twee Europese (kan nog net, straks moet ik internationale zeggen) buren gejat zonder precies te weten wat we jatten?
Slordig gebruik? Zoiets als dat mensen tegenwoordig zeggen dat je ‘naast de pot gepiest hebt’  als je misgegrepen hebt, als iets aan je voorbij is gegaan? Terwijl het toch gewoon betekent dat je vreemd ging?
 
Of is dit gewoon taalontwikkeling? Taal is immers dynamisch. Laat ik dan eens kijken wat we met die samenvoeging eigenlijk zeggen. Een roze olifant in de kamer. Een hallucinatie die we allemaal kennen maar die we niet benoemen. Ik begrijp ineens veel beter waar we ons als maatschappij van tijd tot tijd in bevinden.
 
Groet, Leike

Leiderschap

3 november 2019


Leiderschap
 
Leiderschap is een begrip dat bij mij altijd een zekere gêne veroorzaakt. Het roept bij mij associaties op met de Duitse vertaling van dat woord en met het idee dat een grote leider, met visie en charisma, de koers bepaalt omdat hij dat beter kan dan de rest. 
Nu zie ik ook allerlei verstandige collega’s die het begrip anders laden en andere accenten leggen en dat maakt me snel milder. Je kunt leiderschap als een functie van de groep zien, of van het systeem. Het gaat erom dat er richting ontstaat, keuzes worden gemaakt, niet om wie dit doet.
In die zin ben ik ook een fan van het poldermodel, ons unieke vermogen om compromissen te sluiten en te zoeken naar oplossingen waar iedereen mee kan leven. Juist niet ‘the winner takes it all’ zoals we zien in Verenigde Staten en Koninkrijken. Juist de minderheid meenemen in de te maken keuzes. Maar kan dat altijd?
 
Deze week ontstond in politiek Den Haag opeens een enorme vraag om ‘regie’ van de premier. Dit na weken waarin het Malieveld drie keer werd omgeploegd door zwaar materieel en aan de vooravond van een grote onderwijsdemonstratie. En na jaren van niet oplossen van urgente problemen. Deze week werd bekend dat we volgens het PBL de Parijsdoelstellingen niet gaan halen. Maatschappelijke sectoren zoals de politie, het leger en het onderwijs kampen met grote functioneringsproblemen door een oplopend tekort aan personeel en geld. We hebben wel heel veel hypotheken op de toekomst genomen heel veel fragiel gemaakt. Het loopt nu tegelijk klem en uit de hand. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden.
Tot nu toe is dat polderend niet echt gelukt. Hier en daar mooie woorden, maar geen daden.
Het lijkt erop dat reeksen kabinetten polderen hebben verward met ontkennen, vooruitschuiven en voorkomen van pijnlijke keuzes.  En dus rommelt alles gewoon door. We organiseren vrolijk een Formule 1 op Zandvoort, we fantaseren door over Lelystad airport zodat we nog meer kunnen vliegen en we blijven 130 rijden, niet omdat het substantieel sneller gaat, maar omdat dat zo lekker voelt. Vandaar die roep om de rol van de baas; Alles ist jetzt Chefsache.
 
We hebben een grote behoefte aan leiderschap. Aan echte keuzes. Aan een leiderschap dat uitspreekt dat we ons leven echt moeten veranderen. Dat de kool en de geit niet beiden gespaard kunnen worden. Dat dat gewoon niet anders kan.
 
Ik hoorde deze week Joop de Uyl, die in december 1973 met gedragen stem de autoloze zondag aankondigde. Ook toen al rond een energiecrisis:
“Ik wees er al op dat de crisis van vandaag, dat energietekort waarmee we te maken hebben, schoksgewijs tot uitdrukking brengt dat energietekort dat er eigenlijk al wás in de hele wereld. Wij moeten beseffen met elkaar dat we niet kunnen voortgaan met het verbruik van beperkte voorraden brandstoffen en grondstoffen zoals we dat in de laatste kwart eeuw hebben gedaan. Zo bezien keert de wereld van vóór de oliecrisis niet terug. Wij zullen ons blijvend moeten instellen op een levensgedrag met een zuiniger gebruik van grondstoffen en energie. Daardoor zal ons bestaan veranderen. Bepaalde uitzichten vallen daardoor weg. Maar ons bestaan hoeft er niet ongelukkiger op te worden. Als ik dat zeg, dan wil ik vooral niet te licht tillen aan de grote moeilijkheden die velen van onze medeburgers vandaag al ondervinden als gevolg van de crisissituatie.”
 
Leiderschap, durven kiezen, wat een goed idee.
 
Groet, Jaap
 

De zwerm

10 oktober 2019


Beste Jaap,
 
Je weet dat ik me een paar keer per week op het drukste fietspad van Nederland waag. Geen onverdeeld genoegen, en al helemaal niet nu we de natte en donkere dagen weer ingaan.
Het is een ingewikkeld fietspad, omdat de verkeerssituaties niet overal eenduidig zijn. Er is een plek waar het stoplicht groen wordt, terwijl het andere deel van het kruispunt geen stoplicht heeft. Lijnen ontbreken. Verschillende vervoersmiddelen met verschillend tempo maken gebruik van dezelfde banen.
Ondertussen halen mensen elkaar links en rechts in, snijden bochten af over de stoep. Snelle fietsers snijden langzame fietsers af in hun wens zo snel mogelijk naar hun bestemming. Onzekerheid wordt niet getolereerd. Laatst zei een vriendin mij: ‘ik kijk niet meer naar links, want voor je het weet ben je je voorrang kwijt.’
 
In het verkeer lijkt het mode om te ‘ont’regelen: minder organiseren, meer uitgaan van het organiserend vermogen van het verkeer zelf. Met als resultaat een zelforganiserende zwerm. Nou, ik zit wekelijks in die ‘zwerm’, maar ik zou het zo niet typeren. Een zwerm vogels bestaat bij de gratie van een paar eenvoudige regels, die ongeveer zo klinken: hou ongeveer dezelfde afstand tot je buren, vlieg in ongeveer dezelfde snelheid, ga allemaal ongeveer dezelfde kant op. Als vogels dat doen, zien we die mooie zwermen in de lucht.
Maar mensen zijn geen vogels. Mensen zijn psychologische wezens, met individueel doelgedrag. Ze fietsen hun eigen tempo, houden niet per se ongeveer dezelfde afstand tot hun buren en gaan niet noodzakelijkerwijs dezelfde kant op. We vormen geen zwerm. We vormen een levensgevaarlijke, wriemelende bende. Dat het goed gaat heeft meer te maken met dat de voorzichtigen alert zijn op de roekelozen, en zo de turbulentie die die laatsten veroorzaken opvangen. Maar een zelforganiserende zwerm? Een collectief met 1 beweging? Nee, echt niet.
 
Ook in organisaties is het organiseren van de zelforganiserende ‘zwerm’ mode. Het achterliggende idee is ook hier dat je eenvoudige organiseerspelregels nodig hebt. Maar in zijn uitwerking wordt er vaak vanuit gegaan dat individuen als vanzelf een zwerm vormen, als ze maar willen, intrinsiek gemotiveerd zijn en uitgedaagd worden. Dus wordt het aantal management verminderd, en krijgen mensen de ruimte om … Ja, om wat eigenlijk? Eigenaarschap te tonen, hun talenten in te zetten, bij te dragen aan waar hun energie en hun competenties zitten. Maar een ‘zwerm’ is geen groep individuen die allemaal hun eigen doel nastreven. Het is een groep waarin het individu zijn handelen op het grote geheel afstemt. Met een paar eenvoudig spelregels weliswaar, maar die zijn wel nodig. Zonder spelregels ontstaat een arena waarin het recht van de sterkste geldt. En voor je het weet, kijk je maar beter niet naar links omdat je dan je voorrang kwijt bent.
Als we willen zwermen, gaat het niet om jou maar om het collectief. Op fietspaden en in organisaties. Zullen we dat vermogen weer terugorganiseren?
 
 
Groet, Leike

Boris Churchill

29 september 2019


 
Beste Leike,
 
Die Boris Johnson fascineert mij ook. Jij kijkt bewonderend naar hoe Europa zich niet gek laat maken en ik zie hoe het Verenigd Koninkrijk dat wel doet. Met name doordat het woord Verenigd niet helemaal meer lijkt te passen.
Ik zag ‘Darkest hour’, een film over de opkomst van Winston Churchill. Interessant omdat onze Boris een veelgeprezen boek over zijn held en ambtsvoorganger Churchill schreef. Mag ik even een beetje psychologie van de koude grond doen?
 
Winston Churchill kwam aan de macht omdat anderen bedankten voor de eer in een tijd van grote verwarring. Premier Chamberlain had een onhandig akkoord met Hitler gesloten, waar bovendien de laatste ook nog eens zijn schoenen mee afveegde. Hitler veroverde in mei 1940 het ene na het andere land in West-Europa en de Engelsen werden van het vasteland verdreven. Chamberlain moest aftreden, de meest gerede opvolger Halifax bedankte voor de eer, en dus werd het (tegen de zin van anderen) Churchill.
 
Iedereen om Churchill heen probeerde hem te overtuigen een nieuw akkoord te treffen met de Duitsers, om te voorkomen dat Groot-Brittannië overlopen zou worden. Hij ging er bijna in mee, tegen zijn gevoel in.
Op zekere dag stapt hij uit de dienstauto en gaat de Underground in. Daarin raakt hij in gesprek met gewone Engelsen, ‘het volk’. Rondvragend over of het goed zou zijn om een Swastika op Buckingham Palace te plaatsen, vinden zijn gespreksgenoten eensgezind dat Groot-Brittannië moet vechten tot de laatste man om dat te voorkomen.
 
In gloedvolle speeches voor zijn kabinet en het parlement overtuigt Churchill, gesteund door ‘het volk’, vervolgens dat dat koste wat kost moet worden ingezet op de onafhankelijkheid en de glorie van Groot-Brittannië, toen nog een wereldrijk. Hier eindigt de film, maar we weten hoe het afliep. Churchill bleek een held die ‘against all odds’ met succes streed voor de soevereiniteit zijn land. Hij hield stand en versloeg de vleesgeworden slechtheid, de nazi’s. Hij werd een legendarische held.
 
De vraag is of Boris dat, net als zijn voorbeeld, ook gaat worden. Hij leidt series nederlagen in het parlement, pleegt een halve staatsgreep door datzelfde parlement opzij te zetten, legt uit dat de hoogste rechters het fout zien en blijft manhaftig strijden voor de wens van “het volk”. Hij strijdt voor de soevereiniteit van het VK en tegen het krachtige, dominante Europa. Hij is een good guy temidden van slapjanussen. De eenzame held in het drama waarin alles tegen lijkt te zitten. En hij geniet van zijn “Darkest hour”.
Ik vermoed dat deze strijder voor de goede zaak zich niet laat stoppen door de inderhaast aangenomen wetten, redelijke argumenten, rechtelijke uitspraken of politiek struikelen. Hij is een dramaqueen en gaat tot het gaatje. Het is aan anderen om het gat te maken waar hij in kan vallen.
 
Groet, Jaap
 

Buigzaam Europa

17 september 2019


Beste Jaap,
 
Mooie vergelijking, dat fikkie stoken in het papierhok. De grootste belhamel van dit moment is wat dat betreft denk ik Britse Boris. Die heeft zich inmiddels lelijk in een hoek geverfd. Of in jouw metafoor, hij krijgt het samen met zijn maten van het Lagerhuis behoorlijk warm in dat papierhok. Het fikt maar ze kunnen er niet uit. Maar of hij dat zelf zo ziet?
 
Ik moet terwijl ik naar die Britse ontwikkelingen kijk steeds aan het boek van Luuk van Middelaar denken, De passage naar Europa, waarin hij beschrijft hoe Europa zich gevormd heeft. Hij laat zien hoe belangrijk toeval, taal en het gevoel er samen uit te moeten komen daarin waren. Ik vond het een prachtige schets van hoe het systeem Europa door tegenslag en moeilijkheden zich steeds verder ontwikkelde en steeds antifragieler werd. We konden tegen een stootje, dacht ik trots. Blijkt die trots toch een soort ijdel vooruitgangsgeloof te zijn.
 
Van Middelaar schreef zijn verhaal toen alle Europese landen hun lidmaatschap vanzelfsprekend vonden en dachten dat ze er nooit uit zouden stappen. Soms was juist dat de reden voor een oplossing: we kunnen er niet uit, maar we moeten toch een oplossing bedenken. Handelend vanuit een groter belang werd elke keer een modus gevonden. De grote vraag lijkt of we ook antifragiel blijven als er een land uitgaat? Zou het lukken of gaat het stuk?
 
Daar ben ik lang optimistisch over geweest. ik nam als vanzelfsprekend aan dat hen die de macht was toebedeeld, die macht ook handelend in het grotere belang zouden gebruiken. Maar ik zie steeds vaker dat het grotere belang er niet toe doet, dat alles draait om de kleine wereld van de eigen drang en het eigen gelijk. Ik zie ze opgesloten raken in hun eigen ijdele wereld. Ik zie ze hun egostrijd strijden zonder dat ze lijken te zien wat ze in het grotere geheel aan het stukmaken zijn.
 
Of het er nou om gaat dat je met een Sharpie je gelijk haalt op een weerkaart of beweert dat je oranje teint veroorzaakt wordt door spaarlampen, of vecht op leven en dood in het Britse Lagerhuis, het gaat om mensen die op zichzelf gericht zijn en niet op het systeem waarin ze zo’n cruciale plek hebben. Ik noem nu buitenlandse voorbeelden, maar in Nederland hebben we ze ook. Vorige week wees Tom Jan Meeus in zijn column op het feit dat het ‘minder-minder’-gedoe al twee jaar duurt, dat het elke keer de krant haalt, maar dat Wilders met de oorspronkelijke belofte (”Dan gaan we dat regelen”) nooit iets heeft gedaan. Toch weet hij het vuurtje steeds weer op te stoken.
 
Deze tijd van social media, individualisering en de geklikte waarheid maakt dat mensen met macht zichzelf opsluiten in reuring-genererende bubbels die zelfstartend en zelfreproducerend zijn zonder dat ze in verbinding hoeven zijn met de echte wereld. Maar de bal is de echte wereld. De consequenties van het handelen in die bubbel voelen we daar. Misschien voel je dat niet als je Wilders of Baudet heet, omdat je een taalspel kunt spelen en moreel verontwaardigd kunt doen als mensen je op de consequenties aanspreken. In je bubbel doe je geen kwaad, en de wereld buiten je bubbel is tegen je. Het slachtofferschap is een aantrekkelijke positie in een wereld waarin veel mensen zich slachtoffer voelen.
 
Maar dat geldt denk ik niet lang meer voor Britse Boris. Er worden inmiddels door de echte wereld brandgangen om hem heen gegraven om te zorgen dat de brand niet uitslaat. Ik duim dat we in de echte wereld antifragiel genoeg zijn om deze gekte in te dammen.
Ik ben bang dat we steeds vaker bubbels door moeten prikken, brandgangen moeten graven, stokjes moeten steken, grenzen moeten trekken voor juist die mensen die we de rol gegeven hadden om juist te voorkomen dat we dat moesten doen.
We weten alleen nog niet zo goed hoe het moet. Maar ook dat leren we vast. Ik verheug me daar nu al op.
 
 
Groet, Leike
 

Brand!

27 augustus 2019


Beste Leike,

 

Wat een interessante reacties kwamen er op je laatste twee briefblogjes aan mij. Jij stelt dat het stuk kan. Dat onze wereld, onze democratie, onze beschaving niet zomaar een gegeven zijn. En je spreekt je zorgen uit over politici en commentatoren die daar juist nogal zorgeloos mee omgaan. Die zich gedragen alsof het niet stuk kan.

Vervolgens zijn er allerlei reacties die je manen minder pessimistisch te zijn, wijzen op tal van positieve ontwikkelingen die er ook zijn, die suggereren dat het schrijven aan een boek over onmacht ook maar aanleiding geeft tot gesomber, die je erop wijzen dat de maatschappelijke transitie nu eenmaal een chaotisch proces is of die je melden dat het niet meer stuk kan omdat het al stuk is.[1]

 

Ik ben ook gefascineerd door die reacties. Het zijn volgens mij allemaal heel goed bedoelde pogingen je op te beuren, je te helpen het wat meer van afstand te beschouwen, je te helpen niet in een depressie te komen. Ze zijn bedoeld als echte liefdevolle hulp. Dat is mooi, zeker in deze tijd van elkaar afbranden op social media, maar gaat voorbij aan jouw boodschap.

Het is alsof je heel hard BRAND! roept en dat de een reageert met “Ga even zitten, je bent enorm geschrokken he?”. Dat de volgende zegt “Maar die brand komt heus niet in de kelder want die is van beton”, en weer een ander meldt dat dit alweer de zoveelste brand is in het dorp dit jaar of wijst erop dan volgens de tweede wet van de thermodynamica alles uiteindelijk vervalt (inclusief literatuursuggestie). Terwijl je zou willen dat ze ook hard BRAND! roepen en in de weer gaan met emmertjes, 112, en tuinslangen.

 

De aard van de reacties illustreert een van de punten die we in ons Onmacht-boek willen adresseren: de individualisering en psychologisering van onze huidige cultuur. Een cultuur waarin optimisme en distantie de norm zijn en waarin ongerustheid, betrokkenheid al snel als individuele emotie worden gezien. Een cultuur waarin we maatschappelijke vragen verengen tot persoonlijke kwesties waar je individueel oplossingen voor moet zoeken: “En wat doe je er dan zelf aan…?”. Een cultuur waarin depressie-epidemie wordt bestreden met pillen in plaats van maatschappelijke verandering.

Of we nemen van schrik heel veel afstand (“transitie is nu eenmaal chaos”), alsof een generaal zegt dat een kernoorlog nu eenmaal veel slachtoffers eist. Alsof je het vraagstuk waar je inzit van buiten kunt beschouwen en daarmee ontmantelen.

Enkele maanden geleden kwam poolonderzoeker Maarten Loonen terug van Spitsbergen en meldde dat hij in paniek was: “Het systeem is voorbij de tipping point, ik word hier heel emotioneel van.” Het leek me een heel oprechte en zelfs rationele uitspraak. 

Zou het de klimaatcrisis helpen als de onderzoeker in therapie ging? Of zou het helpen als we hem serieus nemen en zijn paniek als hele relevante informatie en reden tot actie zien? Ik denk dat dat is wat de altijd gekoelde Gerrit Hiemstra doet!

 

Somberheid en paniek, we hebben het hard nodig. Want we gedragen ons nog steeds als ‘just another day at the office’, terwijl ze fikkie stoken in het papierhok.

 

Groet, Jaap

[1]Overigens waren er ook de nodige reacties die met veel herkenning instemden met hoe je dat knap verwoorde, maar daarover wil ik het niet hebben.

Ik wil trouwen met Gerrit Hiemstra

24 augustus 2019


Beste Jaap,

Wat een interessante reacties op mijn vorige blogje. Veel mensen laten me weten dat het ‘al stuk’ is. Onze economie of ons klimaat bijvoorbeeld. Natuurlijk is dat stuk. We zijn het tipping point allang gepasseerd, we kunnen niet meer terug. Dat was ook niet het punt van mijn stukje. En al helemaal niet dat ik alle in onze maatschappij ingebakken neveneffecten zou willen conserveren. Moet er niet aan denken!

Maar zoals jij aan een van de lezers aangaf: het kan nog veel stukkerder. We hebben nog helemaal niks gezien.

 

De meeste van de reacties verwijzen naar dat we in een transitie zijn en dat deze onrust erbij hoort. Ik denk ook dat dat zo is. Maar als je de theoretische grondlagen van het transitiedenken er even bijneemt, dan kun je wel concluderen dat je in transitie bent, maar je weet niet waar je naartoe transeert. Het is geen teleologisch proces, met wat onrust, waar altijd weer wat goeds uit komt. Zo eenvoudig zit ons complexe systeem niet in elkaar. Je kunt wel beschouwend naar de chaos die aan het ontstaan is kijken, hem duiden als ‘iets dat erbij hoort’, maar daarmee is het nog niet opgelost.

 

In transitie gebeurt van alles. Sommige zaken vervallen, andere blijven behouden. Maar welke kant het op beweegt, dat weet je niet. Wat we nodig hebben om wat te doen aan die systemen die stuk zijn, is collectieve inzet om het te keren. Zo goed mogelijk, met man en macht, tegen de klippen op. Dat betekent heel hard werken, met elkaar, wereldwijd, met een gezamenlijke betrokkenheid die we hard nodig hebben. Het is precies dat waarvan ik bang ben dat het stukgaat. Want als we dat niet meer hebben, is het ieder voor zich.

 

Ik wil niet leven in een wereld waarin de mensen die hun best doen om de wereld een beetje beter te maken, kunnen rekenen op een lawine van azijn en stront. Maar ook niet in een wereld waarin de ook voor de andere kant de pek en veren kwistig gehanteerd worden. Ik ben bang dat we daarmee precies dat stukmaken wat we heel hard nodig hebben: ons vermogen om in verbinding, elkaar vasthoudend en zoekend, naar oplossingen te zoeken. Bang dat de instituties die daar in zo belangrijke mate aan bijdragen, onze democratie, Europa, stukgaan. Samenwerken is niet vanzelfsprekend. We hebben er hard aan gewerkt. Dat stukslaan gaat ons niet helpen. Vanuit die basis hard aan die ingewikkelde vraagstukken werken wel. Denk ik. Hoop ik.

 

Daarom heb ik zo’n enorme bewondering voor Gerrit Hiemstra, die steeds weer, uitlegt hoe dat zit met klimaat en weer, wijst op wat er aan de hand is en waarschuwt dat het fout gaat. Èn zich vervolgens niet opsluit in zijn bubbel, maar op basis van zijn kennis, hard èn vriendelijk, de meest nare reacties blijft beantwoorden. Hij neemt stelling èn blijft in verbinding. Hij durft te zeggen dat er dingen al stuk zijn, maar blijft zorgvuldig in het heelhouden van de sociale dynamiek die nu zo vaak op spanning staat. Ik wou dat ik dat kon.

 

Zijn mooiste reactie van de afgelopen periode? In reactie op een tweet van een klimaatscepticus die een plaatje van wereldkaart stuurt met – ook – heel veel koude gebieden, en wil weten hoe hij dat dan kan verklaren, simpelweg laat weten ‘Daar is het winter’.

 

Ik wil trouwen met Gerrit Hiemstra. Misschien helpt dat me de transitie door.

 

Groet, Leike

 

 

Het kan stuk hoor!

22 augustus 2019


Beste Jaap,
 
Mijn vakantie is alweer bijna voorbij. Heerlijke weken gehad, maar ik merk dat ik ook met een donkere blik weer start. Ik maak me zorgen. Zorgen over wat we met elkaar in dit land en in de wereld aan het doen zijn. Trump die de democratische grondslagen tart met zijn tweets. Een politieke partij die voor het verval van onze boreale wereld waarschuwt en met de vinger naar mede-landgenoten wijst. De media die journalistieke en juridische grondslagen tart als het om de zoon van de burgemeester gaat. Johnson die niet kan wachten om uit Europa te stappen en als een bulldozer afkoerst op 31 oktober. De steeds scherperwordende identiteitspolitiek waaraan steeds meer groepen meedoen, omdat ze ook in hun identiteit erkend willen worden en boos zijn op anderen. En natuurlijk de scheldkannonades op twitter, waarin de onderbuik van Nederland zichtbaar maakt hoeveel ressentiment en domheid er is en hoeveel eigenrichting op de loer ligt.
 
Al eerder schreef ik erover. Elke keer zocht ik dan naar wat er ook is. Gewone mensen die het gewoon een beetje met elkaar proberen te redden. Die extremisme verafschuwen, die in hun buurt proberen er met elkaar wat van te maken, de nuance en relativering die Nederland ook altijd kent. Want ach, extremen worden pas gevaarlijk als het midden wegvalt. Dacht ik.
 
Maar dit keer helpt mijn bezweringsformule niet. Ik begin te twijfelen of ie wel klopt. Zo onschuldig is dat lompe gebrul niet. Die democratie, dat Europa, de verworvenheden in ons land. Ze kunnen stuk! En daar is misschien wel veel minder voor nodig dan we denken.
 
Tuurlijk, die ene tweet, dat ene protest, dat gaat het niet stukmaken. Maar ik ben zo bang dat het is als zo’n brug die eerst zachtjes schommelt, dan gaat oscilleren en uiteindelijk in elkaar zakt. Ook daar is maar een zuchtje wind voor nodig.
We handelen met elkaar alsof de vrede en welvaart die we hebben er voor altijd zullen zijn. We zijn een van de gelukkigste landen met een grote mate van gelijkheid. We kunnen vrij door Europa en de wereld reizen. Dat is al zolang zo, dat we ons bijna niet meer realiseren dat het er ooit niet was, en dat het heel veel moeite heeft gekost om zover te komen.
Het lijkt zo vanzelfsprekend geworden dat we ons niet meer realiseren dat het ook stuk kan. Dat we niet beseffen dat al dat meppen, schelden, schofferen, met voeten treden schade toe kan brengen. We staan met elkaar voor grote klussen als het gaat om klimaat, welvaart, gelijkheid en een eerlijke wereld. Daar hebben we de stevige basis die we met elkaar bouwden voor nodig.
We schrijven op dit moment aan een boek over onmacht. Nou, dit maakt onmachtig. Want hoe voorkom je dat iets stukgaat door gekrijs in de marge?
 
Best een donkere blik dus. Huub van der Lubbe schreef ooit: ‘Ik neem een paar andere ogen. Blauw en niet meer zo zwart. Want het is niet wat het lijkt, maar hoe je het bekijkt. Dus ik krijg ook een heel ander hart.’
Ik doe mijn best. Echt. Maar het lukt nog niet zo goed.
 
Groet, Leike
 
 
 
 

Oesters leren eten

14 juli 2019


Beste Leike,
 
Ik ben net terug uit Bretagne. Een plek die ik altijd vermeed omdat het weer er doorgaans lijkt op dat van zijn grote broer aan de andere kant van Het Kanaal. Maar nu dus hier met al een week heerlijk zonnig weer en dan is het hier echt verschrikkkkelijk mooi!
In de euforie van de schoonheid van het landschap, de hartelijkheid van de mensen en de kwaliteit van eten en drinken besloot ik het weer eens te proberen: oesters. Ze zijn hier vrijwel gratis en dagvers tegelijk en ze staan overal op de kaart. Dus laten we het maar weer eens proberen. En wat bleek? Heel goed binnen te houden, zelfs wel een soort van lekker. Moesten we vaker doen.
Je weet Leike, dat ik niet van oesters ben. Dat ik altijd een wat ambigue verhouding tot deze parelmaker had. Mensen die oesters eten zijn levensgenieters, die houden van exotisch, duur, ongewoon rauw, oerig eten. Ik keek er altijd tegenop. Ik vond het stoer hoe ze een klein godsvermogen neertelden voor een snotterig halfdood ongewerveld beestje in een hap zeewater. En dan een glas champagne en de hele savoir vivre erbij. Oesters eten heeft snobappeal. En eerlijk is eerlijk, dat laat me niet onberoerd. Hield ik ook maar van oesters.
In de termen die we gebruikten in Onomkeerbaar behoorde het eten van oesters voor mij in de wenselijke wereld. Ik had er ideeën bij, het sprak met wel aan, cognitief dik voor mekaar, maar iets weerhield me.
Vandaag zag ik in het Bretonse restaurant iemand die niet alleen een oester uit de schelp pullekte, maar die ook de oester aan zijn mond zette en het zeewater gulzig opdronk. Zoals het hoort. En toen begreep ik opeens hoe het me nauwelijks om dat glibberige beestje gaat, maar om de smaak van vroeger, de smaak van puur zeewater.
Als kind bracht ik vele zomers door met mijn ouders in Zandvoort. Wekenlang op het strand. Weer of geen weer. Zandkastelen bouwen, vliegeren, voetballen, klieren en ook heel veel in zee. Zwemmen, ballen, in de golven duiken en als het mee zat de badmeester helpen met het redden van drenkelingen. Net zo makkelijk. Hectoliters zeewater zijn mijn maag gepasseerd. De zoute smaak (literair vind ik zilte smaak eigenlijk mooier klinken) was altijd verbonden met een vergissing. Ademhalen als er net een golf voorbijkomt, onder water zwemmend opeens een tomeloze behoefte aan lucht krijgen of de crawlslag oefenend zonder veel talent. Ziehier mijn ervaringswereld: zeewater proeven is falen. Dat heb ik nooit zo verwoord, nooit eerder taal voor gevonden, maar vooral die ervaring met al mijn zintuigen was en is diep doorleefd.
Dus je snapt wat er later in mijn leven gebeurde. Het eten van oesters (sexy!) en de smaak van zeewater (mislukking!) streden met elkaar en ik besloot daarom dat ik gewoon niet zo van oesters hield.
Tot ik dus deze week oesters bestelde in een heel vergevingsgezinde en stimulerende omgeving het zeewater bewust proefde en het snotterige beestje opat, creëerde ik een nieuwe ervaring, namelijk dat oesters -met enige fantasie- best lekker zijn, eerlijk gezegd. Ik nam de drempel zonder druk op mijn eigen moment in een heerlijke omgeving, een stukje wenselijke wereld vond zijn weg in mijn werkelijke wereld.
Zo behulpzaam kan een veilig leerklimaat blijkbaar zijn.
 
Groet, Jaap
 

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!