Met enige onregelmatigheid schrijven Leike en Jaap elkaar een dialoogblog over het vak en de wereld. Daar kun je je op abonneren, dan krijg je bij iedere nieuwe blogpost een melding. Ook heel leuk vinden we het als je je ermee bemoeit en een eigen bijdrage levert. Naar een specifieke blogpost zoeken of neuzen door alle titels kan in het blog overzicht.

lenen, lenen, betalen, betalen

29 april 2021


 Beste Leike,
 
Jij bent net als ik van de ouderwetse soort he? Liever sparen dan lenen, niet meer uitgeven dan je hebt, liever een appeltje voor de dorst in je rugzak dan de speculatie dat de wandeltocht vast wel langs een boomgaard zal leiden.
Al sinds de start van Organisatievragen in 1997, kijken we naar patronen. Op onze eerste website plaatsten we er foto’s van, zo gefascineerd zijn we erdoor.  Van de week viel er weer eens een muntje over zo’n patroon in het management van ons land. Ik probeer het zichtbaar te maken aan de hand van een paar voorbeelden.
 
Kijk naar corona. Eerst was het de bedoeling om te versoepelen na de piek. Met de toenemende terrashonger veranderde dat in versoepelen na het plateau. Uiteindelijk werd besloten de rem eraf te halen op basis van een voorspelling dat het plateau waarschijnlijk op zijn hoogtepunt was (wat een beetje gek is voor een plateau). Om tot slot met speculaties over het weer en het toenemend aantal vaccinaties te veronderstellen dat we net langs de afgrond zouden kunnen balanceren. Hier wordt beleid gemaakt op basis van modellen en verwachtingen over een verschijnsel dat we niet kennen en dat al dikwijls verkeerd is voorspeld. De risico’s van deze modelsturing zijn groot: het niet uitkomen van die voorspellingen kost mensenlevens (klink ik nu te dramatisch of demagogisch, of is dit puur feitelijk?). Het kabinet -dat zelf al wekelijks valt- loopt geen risico’s meer, de burgers wel.
 
Je ziet het ook in de decentralisatie van de jeugdzorg een aantal jaar geleden. Het dichter bij de burger brengen van de organisatie, zou ervoor zorgen dat het meer naar de menselijke maat èn efficiënter werd. Althans, dat was de voorspelling waar een voorschot op genomen werd door het budget meteen maar fiks mee te korten. Een omgekeerd voorschot op de toekomst. Inmiddels blijkt de voorspelling niet te kloppen, zijn heel veel gemeenten in diepe financiële problemen omdat ze absoluut niet uitkomen met het bedrag dat ze voor jeugdzorg kregen èn is de jeugdzorg er zo op achteruitgegaan dat betrokkenen over een crisis spreken.
 
Mijn laatste voorbeeld waarin je de liefde voor lenen kunt terugzien. Om een financiële impuls aan het onderwijs te geven werden de studiebeurzen omgezet in een leenstelsel. Studenten zouden immers later ruim gaan verdienen, waarmee ze hun voorschot op de toekomst konden afbetalen. Maar inmiddels heeft de Autoriteit Financiële Markten, in strijd met de afspraken destijds, verordonneerd dat de studieschuld moet worden meegenomen in de afweging of iemand een hypotheek kan krijgen. Daarmee wordt het voorschot dat studenten nu moeten nemen op de toekomst, een toekomstig nadeel.
 
Regeren natuurlijk vooruitzien. Alle beleid dat je maakt is op basis van veronderstellingen over de toekomst. Maar deze voorbeelden doen niet alleen een aanname over de toekomst, ze nemen er ook een hypotheek. Lenen van de toekomst zonder zeker te weten dat je terug kunt betalen. De baten nu, de lasten later. Dat maakt onze samenleving niet alleen fragieler, maar het ondergraaft ook het gezag van de overheid die zijn beloftes niet nakomt. Een overheid die zich in deze populistische tijden gedraagt aan een toegeeflijke ouder die het pubergedrag van zijn kinderen niet begrenst maar aanmoedigt.
En het zijn die pubers die de rekening krijgen.

groet, Jaap

‘Even in vertrouwen…’

6 april 2021


Beste Leike,
 
Nou, je vorige blog veroorzaakte een hoop reuring! Ik denk dat je wel een mooie bijdrage hebt geleverd aan de Paasreflectie waar men in Den Haag naar verlangde na de historische clusterfuck in de Tweede Kamer.
Ik pikte overigens geheel toevallig een gespreksverslagje op:
“Hallo Khadija, met Wobke. Ik wilde nog even -in vertrouwen natuurlijk- iets met je wisselen, want ik kom er niet helemaal uit. We willen nu een informateur omdat die verkenners niet zo goed zijn bevallen, maar nu moeten we namen gaan noemen van mogelijke kandidaten. Dat vind ik moeilijk, want wij vinden het noemen van namen te vroeg in het proces. Bovendien past ons bescheidenheid. Dus hadden we nu bedacht om een profiel te schetsen. We denken aan iemand die behoort tot een van de kleinere partijen, maar wel een partij met een grote bestuurlijke geschiedenis. Graag ook iemand die bv. Vice-voorzitter van de Raad van State is geweest en liefst iemand die eerder informateur is geweest. Liefst een man en tegen een sjieke achtergrond (dubbele naam of zo) bestaat bij ons natuurlijk geen bezwaar.
Dan misschien nog even over de kwestie die gerezen is over iemand van de VVD-fractie. Ik zal die niet bij naam noemen, zulke dingen doen wij niet. Maar ik wil graag stipuleren dat wij een motie van afkeuring steunden en niet de motie van wantrouwen tegen hij-die-niet-genoemd-mag-worden. Van wantrouwen is bij ons geen enkele sprake, wel keuren wij liegen af. Wij konden onmogelijk instemmen met het jokken van een kamerlid, maar omdat hij niet als premier sprak was het geen onjuist inlichten van de kamer. Van onze kant dus geen blokkade voor een kandidatuur van dit lid van de VVD-factie, bovendien gaan wij niet over gekozen volksvertegenwoordigers en is personeelsbeleid iets wat je pas doet als de rest geregeld is. U ziet, we staan er constructief in, als altijd (met het grootste deel van de fractie). Ik meld je dit natuurlijk wel in het volste vertrouwen van vertrouwelijkheid zodat we het vertrouwen kunnen herstellen.”

 

groet, Jaap
 
 

Het zelfgeorganiseerde drama

4 april 2021


Beste Jaap,

 

Het zou best eens gelopen kunnen zijn als in jouw blog. Die wandelgangen zullen echt niet stiller geworden zijn. Wel voorzichtiger denk ik, na dat kamerdebat van donderdag. Mijn hemel! Sheila Sitalsing omschreef de kamerleden als een achter de bal aan dartelende groep. Ik vond het meer de F-jes: rondrennen, kluitjes vormend, af en toe achter de bal aan, maar voetbal kun je het nog niet noemen. Ik zag vooral het gedoe dat je ook ziet in een slecht-georganiseerd en slecht-geëquipeerd zelforganiserend team. Zo’n team waarvan in een reorganisatie te snel de steunstutten zijn weggetrokken in de utopische overtuiging dat alles dan beter gaat. Iets soortelijk is natuurlijk in de Kamer gebeurd toen ze zelf de koning uit het (in)formatieproces wegreorganiseerden. Het effect ervan zagen we donderdag.

 

Het is makkelijk om zelforganiserend enkelvoudige onderwerpen tot een uitkomst te brengen. Eenvoudige vraagstukken regel je wel met elkaar. Voor complexe vraagstukken geldt dat veel minder. Complexe vraagstukken vragen onderzoek, analyse, reflectie en heel vaak organisatie: hoe wil je met het onderwerp omgaan en hoe organiseer je het gesprek erover zo dat echt alle facetten recht gedaan is?

Dat debat donderdag laat zien wat er mis kan gaan als je er de organisatie en spelregels niet voor hebt. Alles liep door elkaar: de inhoudelijke analyse (Wat is er gebeurd?), het functioneringsgesprek (Waar zijn de verkenners de fout in gegaan?), het proces (Mag er in de eerste ronde – informeel – over personen gesproken worden?), het vinden van de zondebok (Wie heeft over Omtzigt gepraat?), groepsdynamische processen (‘Kom niet aan ONZE Pieter Omtzigt’), historische onvrede (nog veel zeer over hoe de toeslagenaffaire tot een einde gebracht was), de eigen rol van de Kamer (Wij zijn de opdrachtgever van de verkenners), de individuele beoordeling (de amnesiekaart een keer teveel getrokken), de onvrede over de disbalans in macht en tegenmacht (verkenners met een politiek profiel en de ambtenaar was van AZ), het vereffenen van rekeningen (‘Hier scheiden onze wegen, ik sta hier met zwaar gemoed.’), het voorschot op het vervolg van de formatie. Al die onderwerpen met alleen het debat als middel om ze te bespreken. Een veel te eenvoudig instrument voor een vraagstuk dat op zoveel borden uitgespeeld wordt. Zonder instrumenten waarmee je de complexiteit productief kunt maken, is er geen andere strategie mogelijk dan de middelpuntzoekende kracht van de vereenvoudiging, wil je zelf niet beschadigd raken. In dit geval dreef die kracht richting Rutte die nu echt echt, echt zijn hand overspeeld had. Hoe meer het debat zich daarop richtte, hoe minder de andere facetten van belang leken. Het lijkt een oplossing, maar eigenlijk organiseer je een gebrekkig enkelvoudig perspectief en daarmee blindheid voor het grotere geheel van patronen.

 

De gevolgen zijn desastreus. De relaties zijn geschaad. Veel partijen staan op achterstand in de (in)formatie nu alles op straat ligt. Het vertrouwen in de politiek zal niet gestegen zijn. De reflectie op het eigen gedrag van de Kamer is buiten de orde gebleven. Maar vooral: het feit dat je als Kamer, na het buitenspel zetten van de koning, eigenlijk nooit goed hebt nagedacht over wat er dan nodig is in organisatie, proces, rollen om zoiets ingewikkelds als een (in)formatie goed te kunnen doen, blijft onbesproken

Als in teams de taak rottig georganiseerd is, trekt dat een wissel op de relatie en vice versa. En de kamer heeft de taak rottig georganiseerd. Zelforganiserende teams moeten hun werk doen èn hun werk zo organiseren dat ze het kunnen doen. Dat organiseren van het werk vraagt aparte aandacht; dat gebeurt niet als vanzelf tijdens het doen van het werk. Een verstandige kamer had dat vooraf gedaan. Door dat na te laten, is ze zelf schuld aan wat er gebeurde, maar die reflectie kwam niet.

 

Groet, Leike

Ondertussen in de coulissen

2 april 2021


Beste Leike,
 
Ja die coulissen. Waarvan sommigen denken dat transparantie iets oplost. Terwijl ze essentieel zijn naast het podium. Ik stelde mij na jouw blog voor wat er tijdens dat veertien uur durende kamerdebat daar plaatsvond. Ik denk ongeveer dit:
 
“Hi Sigrid, Mark hier. Hoor eens, ik begrijp dat jullie het niet langer pikken dat ik heb gelogen. Ik dacht er nog mee weg te kunnen komen, maar op de heilige Omtzigt heb ik me verkeken. Dus ik snap dat mijn rol in de komende formatie is uitgespeeld. Waar ik wel mee zit, is het huidige demissionaire kabinet. Met een motie van wantrouwen ben ik daar ook weg. En hoe moet het dan verder? Stef Blok als mijn opvolger. Stofzuiger in algemene dienst, maar met het charisma van een ijskast. Haha ik wil natuurlijk niet over mensen praten, maar dat wordt natuurlijk een drama. En Tamara is nog echt te groen. Verder hebben we niemand meer nu Klaas weg is.
Dus ik dacht, in het landsbelang, jullie geven me flink om mijn falie, maar niet zodanig dat ik het bestaande kabinet moet verlaten. Dan blijf ik tijdens de crisis nog even crisismanager. Maar het signaal is stevig genoeg dat jullie aan je kiezer kunnen uitleggen dat er een grens is overschreden. Nieuw leiderschap enzo. Wat vind je, is dat wat? Motie van treurnis of iets dergelijks? En dan zeg ik dat het geen motie van wantrouwen is en dat ik hard mijn best ga doen. Je kent me, dat geloven ze nog wel van me. In de komende formatie zal ik dan tegen het eind mijn vertrek aankondigen. Dan hebben we een naadloze overgang. Zou jij willen proberen Wopke hierin mee te krijgen? In het belang van het land? Hé, de bel gaat, debat gaat weer door. We spreken mekaar!”
 
Want we denken toch niet echt dat die coulissen stoppen, toch? Sterker, waarschijnlijk zijn ze levendiger geweest dan ooit in dit debat.
 
Groet, Jaap

Omtzigt, de olifant in de kamer

31 maart 2021


Beste Jaap,

 

Erving Goffman schreef in de jaren Vijftig het boek De dramaturgie van het dagelijks leven. Een boek waarin hij laat zien hoe wij ons in sociale contexten allemaal gedragen naar het daarbij passende script. We zijn niets anders dan spelers op het podium van het leven. Een ober is beleefd, ook tegen vervelende klanten die het bloed onder zijn nagels vandaan halen, want dat hoort bij de rol. Gasten verwachten het, ook – of misschien juist – als iemand zich plurkig gedraagt.

Die scripts en rollen maken de sociale context makkelijker, maar kosten ook energie en beheersing. De pret over Fawlty Towers is in elke aflevering weer gebaseerd op wat er gebeurt als het John Cleese niet langer lukt zich rolconform te gedragen.

Dus zijn er coulissen, off stage-contexten, waarin je uit je rol mag. Een plek waar de ober uit mijn voorbeeld even mag verzuchten dat als dat mens nog een keer zeurt, hij haar kop eraf rukt. Of iets van die strekking. Het zijn de plekken waar je je echte mening over dat onderwerp in de vergadering laat weten. Momenten waarop je informeel bespreekt wat je nou moet met je baas of lastige klant. Of vertrouwelijke gesprekken waarin je het even kunt hebben over Pieter Omtzigt, terwijl je best weet dat de kiezer gekozen heeft en je er niet over gaat, en dat namen formeel pas in een latere fase van het formatieproces aan de orde komen.

De coulissen, de wandelgangen, het toilet, de appgroep, de keukentafel als je net terug bent van je werk: heerlijke plekken waarin je niet helemaal strak in je rol hoeft, waar je mag speculeren, dingen mag zeggen die in je rol niet kunnen, je gedachten mag laten uitlopen en oprekken. Iedereen kent ze, iedereen gebruikt ze. Ze zijn de noodzakelijke aanvulling op de formele optredens. Het is het leven tussen de regels door. Degenen die op dit moment luid verontwaardigd schreeuwen dat dat een schande is, hebben boter op hun hoofd.

 

Laat ik eerst even zeggen dat ik het echt heel erg rot vind voor Omtzigt dat hij, terwijl hij ziek is, weinig steun lijkt te krijgen van zijn partij. Nog rotter dat hij elke dag moet lezen dat zijn partij hem een ‘loose canon’ vindt en hem liever kwijt dan rijk is. Ik weet niet of de verontwaardiging daarover nou helpend is of het erger maakt. Wil je rust, wordt het steeds onrustiger om je heen.

En ik vind het ook stom dat Ollongren (wat zeg ik? De hele demissionaire regering!) gewoon live vergadert, terwijl Mona corona heeft en zij net allemaal getest zijn.

Maar wat Ollongren overkwam kan iedereen gebeuren. Het is niet meer dan even uit je podiumrol vallen en een inkijkje geven in de coulissen. Coulissen waarin het helemaal niet vreemd is dat Omtzigt daar als olifant in de kamer figureert: iedereen weet dat hij er is, maar het is niet de bedoeling dat hij on stage, op het podium, genoemd wordt.

 

Dat uit-je-rol-valgedrag beschrijft Goffman uitgebreid in zijn boek. Het is sociaal ongemakkelijk, maar het script helpt ons: als iemand uit zijn rol valt, dan negeer je dat actief. Als die ober uit mijn voorbeeld achter de bar een geërgerde zucht slaakt, kijken andere gasten hooguit met een klein lachje van herkenning.

Maar als deze theorie klopt, dan zou het zichtbaar maken van de coulissen door Ollongren zou die foto niet letterlijk en figuurlijk uitvergroot zijn. Dan zou niet iedereen de gebeurtenis aangrijpen om zijn eigen punt te maken over Omtzigt, live-vergaderende kabinetsleden, wat het betekent dat de verkenners ook actieve politieke functies bekleden … Het hele geval zou gewoon zijn uitgedoofd.

 

De dramaturgie lijkt veranderd. Goffman leeft niet meer, maar ik ben zo benieuwd hoe hij naar deze gebeurtenis zou kijken. Zou het voor hem reden zijn zijn theorie aan te passen? Want coulissen lijken het nieuwe podium geworden en de (sociale) media de schijnwerper en de versterker waarmee je via brokjes en flardjes uit de coulissen je plek op het podium opeist. Het landsbestuur als een groot theaterexperiment met een toneel zonder coulissen. Escalerend waar escalatie het script niet helpt. Het hele sociale spel wordt er wel dramatischer van. Maar of we Omtzigt of het formatieproces daar nou mee helpen?

 

Groet, Leike

De kiezer als consument

15 maart 2021


Beste Leike,
 
Jij las toch ook die prachtige column van Tommy Wieringa in het NRC van 13 maart?
Waarin hij zegt dat de komende verkiezingen gaan over een keuze tussen de korte en de lange termijn? En dat kiezen voor de korte termijn een soort kolonisatie van de toekomst is: uitbuiten wat niet van jou is? Spot on! Kiezen we ervoor om het leven van onze (klein)kinderen te verbeteren, of om de huidige klimaatproblemen, kernafval, en andere nevenverschijnselen van onze welvaart in de verwegkolonie van de toekomst te stallen, zodat we zelf niks hoeven te veranderen? Après nous la déluge?
Kiezen voor lange termijn is niet makkelijk. De Canadese psycholoog Elliott Jacques zegt hier interessante dingen over. Hij onderzocht wat werk eenvoudig of juist moeilijk maakt en concludeerde dat de tijdspanne waarin je feedback krijgt doorslaggevend is. Hoe korter, hoe eenvoudiger en overzichtelijker. Hoe langer, hoe moeilijker en abstracter.
Zo mag ik ’s zomers graag mijn gras maaien. Terwijl ik achter mijn maaimachine loop, verandert het gras van een rommelig veldje met verschillende lengtes en allerlei onkruid in een strak en opgeruimd gazonnetje. De feedback op mijn handelen is niet alleen heel snel, het is ook direct duidelijk als ik iets vergeten ben. Heerlijk!
Vergelijk dat eens met het schrijven van onze boeken. Boeken schrijven is heel ambigue werk waarvan je de feedback pas jaren na het eerste geknutsel ontvangt. In het begin weten we eigenlijk niet goed wat we willen zeggen. Er zit van alles ongeordend in ons beider hoofden en er zijn misschien vermoedens van waar het heengaat, maar veel meer dat, is het in het begin niet. Terwijl stukken tekst vorm krijgen blijft de vraag of we voldoende samenhang krijgen, of er een verhaal van te maken is. Zo’n betoog vormt zich in de loop van de tijd, maar zelfs dan is de vraag of wij hetzelfde boek schreven als de lezer leest. Pas als dat laatste gebeurt, krijgen we echt feedback. Hoe heerlijk en rustgevend is dan het kortetermijnresultaat van dat grasmaaien! Overzichtelijk, duidelijk en ondubbelzinnig.
 
Is er bij de verkiezingen niet iets soortgelijks aan de hand? Partijen met een langetermijnvisie vragen de kiezers eigenlijk om te accepteren dat het effect van hun beloften pas op heel lange termijn zichtbaar is, terwijl er op kortere termijn wel gevraagd wordt het leven te veranderen. Je moet bijvoorbeeld op korte termijn veel dingen anders doen om duurzamer te leven zodat er op langere termijn een grotere kans ontstaat op een beteugelde klimaatverandering. De kortetermijn gedragsverandering kan heel concreet zijn, terwijl de opbrengst behoorlijk abstract en ver weg is.
Er zijn ook partijen die kiezers helemaal niet vragen om ver te kijken. Zij beloven verbeteringen op de korte termijn. Resultaat waar je wat aan hebt en dat snel zichtbaar wordt. U vraagt en wij draaien. Wilt u een sterke man, hier is ie! Wilt u dat we weer allemaal het terras op kunnen? Gaan we regelen! Ruimhartig met beloften, maar versluierend over welke investeringen dat van ons vraagt, laat staan welke wissel we op de toekomst trekken. In de eerste vier jaar vooruit wordt de wereld mooier, leuker, beter. Het past in de wereld van “Voor 12 uur besteld? Morgen in huis”.
 
Ik wil die kolonisatie van de toekomst niet. Ik wil een politiek die over vier jaar heen kijkt, die durft te zeggen dat ze 25 jaar verder kijken en dat dat op korte termijn niet zo leuk is. Een politiek die helpt de echt moeilijke keuzes te maken, zodat we de toekomst mooier maken voor onze kinderen en kleinkinderen. Hoe moet dat Leike, in een wereld die van instantbevrediging aan elkaar hangt?
 
Groet, Jaap

Emotie-emancipatie

27 februari 2021


Beste Leike,

 

We leven in tijden van korte lontjes, van hevige frustraties. We zien een kabinet dat zwicht voor de druk om de lockdown te verslappen (ze noemen het versoepelen) omdat “mensen het niet meer aankunnen”. Niet alleen scholieren mogen een dagje naar school, maar je mag in tijdslots naar de winkel en weer naar de kapper (menselijke waardigheid las ik ergens).

Zo anders dan bij de Britten, bij wie afzien tot de volksaard lijkt te behoren: “Keep calm and carry on”. Zou het vermogen om keurig op je beurt te wachten (in the queue) iets te maken hebben met het kunnen uitstellen van behoeftebevrediging in het algemeen? Zijn wij eigenlijk een ongeduldig voordringvolkje?

We lazen ooit in het mooie boekje van Ignaas Devisch ‘Het empathisch teveel’ hoe een constant beroep op onze empathie leidt tot willekeur en irrationele afwegingen. Het geeft ruimte aan ongelijkheid omdat empathie nu eenmaal specifiek is; een filmpje over Jemen kan je stimuleren je portemonnee te trekken, maar als er geen filmpje over de Oeigoeren is…. Hij pleit voor een werkbare onverschilligheid. Zo toomt hij de empathie in met het verstand.

Ik ben zelf in de jaren zestig grootgebracht met de waarde van gezond verstand. Huilen werd je nog wel vergeven als kind, maar het was iets dat je moest afleren. “Een gebroken been is erger” was een van de gevleugelde uitdrukkingen van mijn moeder. De naoorlogse wederopbouw ging om hard werken, afzien en niet zeuren. Het moet eind jaren zestig zijn geweest dat onze emoties emancipeerden. Love was het toverwoord van de hippies, de pil gaf onze lust meer ruimte, de verbeelding moest aan de macht, woorden als frustratie verhuisden van de spreekkamer van de therapeut naar het maatschappelijk debat, het persoonlijke werd politiek. Ik herinner me dat ik op de sociale academie leerde dat gevoelens feiten zijn en dat ongeveer alles ‘moet kunnen’. We kregen het inzicht dat veel van ons gedrag eerder door gevoelens gedreven werd dan door rationele afwegingen. Managers werden in ‘sensitivitytrainingen’ geconfronteerd met onderbewuste drijfveren; soms leerzaam, soms met dramatische gevolgen. Emoties en gevoelens waren niet langer persoonlijke drijfveren die achter een stiff upperlip verborgen dienden te worden, maar werden bevrijd en daarmee relevant.

Ik weet niet waar het gebeurd is, mogelijk is het zo’n emergent proces waar je de vinger niet op kunt leggen, maar ik heb het gevoel dat onze waardering voor emoties gaandeweg enorm uit de hand is gelopen. Mensen gaan om de haverklap uit hun dak, uiten dat in social media, spreken in hyperlatieven in de talkshows en zien hun persoonlijke emoties als ‘epic’ ervaringen. Persoonlijk kan ik af en toe ook koken als ik zie hoe de boven ons gestelden deze crisis managen. Maar hoe productief is die boosheid nu eigenlijk?

Ik moet vaak denken aan René Gude, die zijn emoties als terminale kankerpatiënt temde met ‘humeurmanagement’. Niet verdrietig en lamgeslagen op de bank gaan liggen, ook niet ontkennen dat het mis gaat, maar iets ertussen in: het humeur managen met het verstand. Een verstandige man, die René. Moeten we met hem in gedachten niet juist de luidst geschreeuwde emoties dempen, en onze kop erbij houden voor het zorgvuldig in evenwicht houden van het collectieve humeur? En een beetje op onze beurt wachten?

 

Groet, Jaap

 

Belofte maakt schuld  

28 januari 2021


Beste Leike,
 
Oude volkswijsheden of clichés vertonen vaak slijtageverschijnselen door overmatig gebruik, maar doorstaan de tijd niet voor niks. Ze bevatten vaak heel praktische wijsheden. Zoals dat je niet meer moet beloven dan je waar kunt maken. Doe je dat wel, dan ontstaat gedoe en wordt de teleurstelling van de ander jouw probleem.
In managementtaal noemen we dat het ‘managen van verwachtingen’. Hiermee probeer je door zorgvuldige communicatie en ‘mensen mee te nemen’ ervoor te zorgen dat de verwachtingen niet overspannen raken. Ik leerde ooit de formule Q=P-V: kwaliteit is prestatie min verwachting. Mensen ervaren kwaliteit (Q) als hun verwachting niet hoger is dan de geleverde prestatie. Omdat je op voorhand de prestatie nooit helemaal in de hand hebt, kun je maar beter goed op de verwachting sturen en zorgen dat die niet te groot is. Als het lukt die verwachting bescheiden te houden, en de prestatie valt je wat tegen, dan is de ander mogelijk toch tevreden. Hij kreeg immers het beloofde. Lever je meer dan wat verwacht werd, dan heb je een blije klant of partner. Die krijgt immers nog meer dan waar hij op rekende.
Maar pas op: als je dat stelselmatig doet, zal de verwachting ongestuurd oplopen. De ander denkt dat je immers altijd meer levert dan je belooft. Als je dan vervolgens evenveel presteert als je beloofde, is het toch weer een tegenvaller.
Ik zag onlangs bij een organisatie de ambitie om altijd boven verwachting te presteren. Leuk natuurlijk de eerste keren, maar op termijn nooit vol te houden. Je verliest de grip op de verwachtingen van anderen. En dan organiseer je onbedoeld teleurstelling.
 
Deze overpeinzing kwam bij mij op gang door het fenomeen Hugo de Jonge. Een man die steeds te grote schoenen aantrekt. Keer op keer doet hij beloften, maakt voorspellingen of spreekt verwachtingen uit die te optimistisch blijken. Een beloofredicivist. Het effect zien we: een voortdurend teleurgestelde samenleving die de moed verliest. Steeds blijkt het beloofde licht achterin de tunnel een volgende lantaarnpaal.
Als psycholoog van de koude grond zoek ik naar de gedachte achter dit gedrag van deze ongetwijfeld goedbedoelende Hugo. Herken je die managers die steeds optimistisch zijn in de hoop dat anderen dat ook worden? Die denken dat nuance ruimte biedt voor somberheid en ‘negatieve energie’? De uit Amerika overgewaaide gewoonte om steeds “It’s gonna be allright” te beloven in de meest uitzichtloze omstandigheden? Optimisme tegen de klippen op? Ik denk dat dat Hugo is: iemand die denkt dat de besmettelijkheid van optimisme ertoe leidt dat iedereen overal schouders onderzet en dat we daarmee ‘het virus eronder krijgen’. Inmiddels zijn er niet zo veel mensen meer over die hem nog geloven.
 
Ik las dat in de polls de huidige coalitie stijgt van 75 naar 81 zetels. Een belofte van de stemmenpeilers, zou je kunnen zeggen. Zou dat ook ‘overpromise en underdeliver’ worden? Wat denk je?
 
Groet, Jaap

Nijpende kwesties benepen oplossen

30 december 2020


Beste Leike,

 

Hoorde jij dat interview met Ferd Grapperhaus, onze minister van Justitie, over de inzet van militairen in verpleeghuizen vanwege personeelstekorten? Twee veiligheidsregio’s hadden een brandbrief gestuurd omdat het zwartste scenario dreigt en het minimum aan zorg niet meer geleverd kan worden. Het is aan alle kanten duidelijk dat het de zorg nu echt over de schoenen loopt … of eigenlijk, dat het water al aan de lippen staat.

(ik vond een plaatje op Twitter dat zo mooi laat zien wat ik wil, dat ik er deze keer niet zelf voor ben gaan tekenen)

Je zou zeggen, niet meer ouwehoeren en direct regelen dat defensie kan inspringen met verpleegkundigen, artsen en alle handen aan het bed die maar nodig zijn. Het fijne van defensie is immers dat het is ingericht op handelen in het onverwachte. Dat kan door in kaart te brengen waar welk type steun nodig is om het dan aan defensie over te laten een directe lijn te leggen met de betrokken verzorgingshuizen en daarmee afspraken te maken.

Zo niet als dit kabinet zich ermee bemoeit. Ik citeer Grapperhaus op Radio 1: ‘We moeten de procedure nog eens goed aanscherpen en toch kijken wat er voor dingen mogelijk zijn… We hebben een procedure gemaakt met objectieve criteria, die is gericht op de echt nijpende continuïteitstekorten, waarbij eerst de regionale mogelijkheden volledig moeten zijn uitgenut alvorens defensie hulp mag verlenen.’ Concreet betekent dit dat eerst gekeken moet worden of er uitwisseling tussen instellingen mogelijk is, dán of er nog loslopende gediplomeerde mensen op de arbeidsmarkt te vinden zijn, dán het Rode Kruis en pas daarna defensie. Trots vertelde Ferd dat de voorzitters van de veiligheidsregio’s dit allemaal een goed plan vinden.

Ik heb zo mijn twijfels. Het lijkt zorgvuldig, maar het is bureaucratisch en benepen. Een benepen patroon van fragiel organiseren. Een patroon van liever te weinig dan te veel doen. Zorgen dat je niks verspilt. Je sorteert niet voor op situaties waarvan je niet zeker weet dat ze zich zullen voordoen. Je komt pas in actie als het echt moet.  Het is de angst dat er straks defensiemensen ergens lopen te lummelen, angst dat een tehuis meer bestelt dan eigenlijk nodig is, angst voor te royaal handelen, angst dat je misbruikt wordt.

Ik noem het een patroon omdat ik het donkerbruine vermoeden heb dat dezelfde redeneringen speelden bij het inrichten van het vaccinatieproces en bij het oplossen van de schade in de kindertoeslagaffaire. Zuinigheid als hoeksteen van beleid. De kleine karige overheid. Met het toverwoord ‘zorgvuldigheid’ als schild.

Soms echter handelt de overheid anders, dan breekt (politieke) nood wet. Als het om ‘DE ECONOMIE’ gaat bijvoorbeeld. Dan blijken de zakken in de coronacrisis megadiep. Dan blijkt een omgekeerde redenering te gelden: eerst ruimhartig helpen en achteraf eventueel corrigeren als de steun te ruim was. We blijken loyaler aan KLM dan aan onze ouderen en zwakken.

Met vasthoudende kamerleden en een vernietigend rapport lukte het uiteindelijk ook in de kindertoeslagaffaire om te handelen alvorens alles is uitgezocht. De gedupeerden krijgen een nu behoorlijk bedrag voordat duidelijk is waar iedereen precies recht op heeft.

 

Natuurlijk willen we een overheid die zorgvuldig is. Maar zorgvuldigheid is niet hetzelfde als benepen en voorzichtig alles afwegen en pas handelen als je alles weet. Het is juist ook in actie komen als het nodig is. Liever genereus is zorgvuldiger dan steeds tekortschieten vanuit benepenheid.

 

Groet, Jaap

Draagvlakdenken

12 december 2020


Beste Leike,

 

Heb jij nou ook zo’n ongemakkelijk gevoel bij de boodschap op de persconferentie van 8 december dat het hard verkeerd gaat en dat dat komt door ons gedrag, niet door het gevoerde beleid? Dat de maatregelen op grond van die conclusie niet gewijzigd worden?

Ik vind het een armoedig bericht dat de enorme machteloosheid zichtbaar maakt van een kabinet waarvan we inmiddels weten dat de ene vleugel meer strengheid wil en de andere juist minder. Het bloedeloze compromis druipt ondermijnend uit de strak geregisseerde verpakking van de persconferentie.

 

Het lijkt alsof onze beleidsmakers opgesloten zitten in een beïnvloedingsmodel dat gebaseerd is op vrijheid en draagvlak: meer vrijheid veroorzaakt meer draagvlak.

Vrijheid is een ‘knop’ die je openzet als het draagvlak minder wordt. Onsje erbij, onsje eraf. Onderhandelen als de kruidenier met een stiekem handje op de weegschaal. Je krijgt als burger daardoor het idee dat je kunt onderhandelen, dat je randjes kunt opzoeken, dat je kunt marchanderen. En dat is precies het gedrag dat we zien. “We zijn nu toch een paar weken braaf geweest, wat krijgen we daar nu voor terug?”

 

Misschien is dat zichtbaar draagvlak zoeken precies het probleem waardoor datzelfde draagvlak steeds meer weglekt. Het gaat om keuzes die vrijheid suggereren.

Echter juist géén keuze hebben geeft rust. Stel dat het kabinet nu zou zeggen: “We nemen die en die stevige maatregelen. Gewoon omdat het moet, omdat we met de rug tegen de muur staan. Er is helemaal geen keuze mogelijk.” Dat levert volgens mij meer acceptatie op dan dat hijgerige zoeken naar draagvlak. Het straalt ook uit dat het onvermijdelijk is in plaats van een compromisvol onderhandelresultaat. Draagvlak is immers geen constante waar je naar moet zoeken, maar een fenomeen dat je moet creëren met geloofwaardig optreden.

 

Hugo de Jonge denkt dat hij draagvlak kan vinden door perspectief te bieden. Hij doet dat door het ons voorhouden verleidelijke verlangens. Beloften dat het snel beter wordt, dat de oplossing in handbereik ligt. Maar inmiddels produceert hij gebroken beloften in serie.

Perspectief bieden bestaat niet uit steeds schuivende data en opzichtig naar de mond praten met een optimistische toon. Uit onderzoek blijkt dat verhalen met onzekerheden voor de luisteraar minder aantrekkelijk zijn dan stellige beweringen, maar dat de geloofwaardigheid van de verteller toeneemt juist als hij laat zien dat niet alles zeker is.

 

Het gaat in deze tijd om geloofwaardigheid en harde keuzes durven maken. Zoals Churchill bloed, zweet en tranen beloofde.

 

Groet, Jaap

 

 

 

Organisatievragen