<---Overzicht Gedachten en opinies

Pers en politiek

In één van de maandbijlagen van het NRC van 2004 stond een prachtig artikel van Gerard van Westerloo over de moeizame verhouding tussen pers en politiek. In de weken erna hebben ook anderen zoals Ton Planken en Frank van Vree hun licht laten schijnen over de achtergronden van het wederzijds gegroeide wantrouwen.

Over het feit dat er van een wederzijds wantrouwen sprake is en dat dat veel negatieve effecten heeft, is tot nu toe iedereen het eigenlijk wel eens. In de meeste bijdragen wordt getracht binnen dit gegeven nuances te vinden in ofwel dé pers ofwel dé politiek; het is immers niet allemaal een pot nat. Zo wordt ingegaan op de veranderingen in de pers, zoals de ontzuiling en commercialisering, en de verschuiving van krant naar televisie. Waar Ton Planken pleidooi houdt voor kwaliteitsverbetering bij de pers, waarschuwt Frank van Vree ervoor dat dat juist zal leiden tot vergroting van de kloof tussen pers en politiek. Ook wordt door Planken een staf gebroken voor kwaliteitsverbetering van kamerleden en bewindslieden. De Vree beschrijft veranderingen in de politieke cultuur zoals ontzuiling, personalisering en het consumentengedrag van burgers.

Zo lijkt de discussie zich toe te spitsen op individuele kwaliteiten aan beide kanten en op algemeen culturele en technologische ontwikkelingen. Wat onderbelicht blijft is de dynamiek van machtsuitoefening en maatschappelijke controle daarop.

In de klassieke Trias Politica worden de wetgevende, de uitvoerende en de rechtelijke macht principieel van elkaar gescheiden. De uitvoerende macht ligt bij de regering, de rechters spreken recht en de wetten worden vastgesteld in de Eerste en Tweede Kamer. De Tweede Kamer heeft daarnaast de functie de regering te controleren en indien nodig naar huis te sturen. Zo was het ooit bedoeld en wordt het nog altijd op school onderwezen. Daarnaast is er de pers die onafhankelijk verslag doet van wat er plaats vindt in samenleving, rechtzaak en Kamer. Zo kan de burger tot oordelen komen en eens in de vier jaar kiezen.
Dit bouwwerk is gaandeweg fors uit evenwicht geraakt, omdat de pers de taak van de tweede kamer heeft overgenomen.

Tijdens Paars was sprake van een kabinet dat werd gedomineerd door de voorheen klassieke tegenstanders VVD en PvdA. Omdat de oude kemphanen samen moesten regeren, werden de tegenstellingen opgeborgen en weggepoetst. D'66 hielp daarbij door altijd maar pragmatisch te blijven. De oppositie van een krachteloos CDA met een reeks van fletse partijleiders mocht geen naam hebben en in de Tweede Kamer hield Melkert zijn fractie onder de plak. Van de polarisatie uit de jaren zestig en zeventig was nog maar een schim over.

Nederland werd geregeerd door een managementteam dat alle tegenstellingen wegpoetste, binnenskamers oploste of afkocht met een groeiend budget. Het is dat Wiegel in de Eerste Kamer een keer zijn poot stijf hield, anders was er helemaal geen politiek spektakel geweest.

De behoefte aan debat, aan verschillen, aan oppositie en polarisatie en aan spektakel groeide onder de bevolking. Maar deze behoefte werd niet opgemerkt door het managementteam van de Besloten Vennootschap die Nederland was geworden. We leefden toch in voorspoed?

De opkomst van Pim Fortuyn is mede in dat licht goed te begrijpen. Hij benoemde de afstand tussen politiek en bevolking, provoceerde, bond de kat de bel aan, opende het gesprek over taboes, zocht tegenstellingen en overtrad de spelregels van het Haagse establishment. Dat sloeg aan; de achterkamertjes moesten open!

Na zijn dood hebben bijna alle partijen zich opgeworpen als zijn erflater. Zij spraken een ‘mea culpa' uit en beloofden beterschap in de interactie met de maatschappij. Maar het is niet dat deel van Pim's erfenis dat men heeft overgenomen, noch zijn onconventionele stijl (uitgezonderd misschien de wilde Wilders). Het enige wat aan Fortuyn doet herinneren is het openbreken van een taboe: dat van de allochtonen. De behoefte van gewone mensen om door de regering serieus genomen te worden, die Fortuyn zo goed verstond, wordt sterker dan voorheen genegeerd. De Paarse stijl blijkt niet paars, maar gewoon Haags.
De kabinetsformatie is de laatste jaren uitgegroeid tot ‘het Kremlin in Den Haag'. Niet alleen wordt er een vierjarenplan gemaakt dat daarna zonder discussie uitgevoerd dient te worden, de laatste keer is zelfs de oppositie de mond gesnoerd. Door gebrek aan chemie tussen Balkenende en Bos, kon de eerstgenoemde overstappen naar zijn vrienden van de VVD. Bos hield zijn mond, mede omdat hij veel concessies gedaan zou hebben in de (geheime!) onderhandelingen. Zo gijzelde ook hij zich in het debat over het regeerakkoord. Resultaat: een vierjarenplan dat als ijzeren leidraad geldt. De overeenkomst tussen de regeringspartijen is heiliger dan het gezond verstand, en het regeerakkoord is de schaamlap waarachter men alles wat tot spanning en debat kan leiden, verschuilt. Nog geen jaar nadat het kabinet was begonnen, deelde minister Peijs bijvoorbeeld doodleuk mee dat zij rekeningrijden een goed idee vond, maar dat het niet kon, omdat het niet in het regeerakkoord stond.

De regeringspartijen hechten meer aan hun pluche dan aan het debat over de echte zaken. En dus storten ze zich in de Tweede Kamer alleen op incidenten waarin het regeerakkoord niet voorziet. Wat je ook mag vinden, zorg dat het kabinet niet valt! En de oppositie doet wat de oppositie altijd al deed: roepen dat het niet goed gaat, dat het een schande is dat de regering meer hecht aan pluche dan aan argumenten. Maar ook hen lukt het niet om met echte argumenten een debat op gang te brengen. De rijen zijn te veel gesloten.
De Haagse kaasstolp trekt vacuüm. Waar Pim Fortuyn nog een flink gat in de stolp sloeg heeft de nieuwe ploeg de stolp van kogelvrij glas gemaakt. Frisse lucht is er niet meer bij.
Juist journalisten hebben een neus voor gebrek aan frisse lucht. Het kan niet anders dan dat zij waarnemen dat veel van de Haagse redeneringen, opvattingen, maatregelen en motto's niet feilloos zijn. En journalisten hebben geen regeerakkoord ondertekend. Bovendien zijn zij niet meer, zoals de eerste decennia na de oorlog, gebonden aan de opvattingen in hun zuil. Zij kunnen de ruimte nemen die in regering en kamer weg is, omdat men elkaar in een wurggreep van afspraken en gebabbel houdt.
En dus graven journalisten door, gaan op zoek naar de achterkant van het gelijk, naar het verhaal dat het verhaal van de bewindsman of -vrouw tegenspreekt; falsificatie hoort net als in de wetenschap tot het standaardarsenaal van de journalist. En meer dan eens blijkt dat het achter de mooi opgetrokken façade helemaal niet zo mooi is als de minister, zijn beleidsmedewerkers en zijn voorlichters hebben geprobeerd te etaleren.
Journalisten nemen de rol over die eigenlijk de kamerleden dienen te vervullen: zonder last en ruggespraak controleren en namens ons, burgers, de regering ter verantwoording roepen. Niet alleen bij affaires, maar vooral waar het gaat om de hoofdlijnen.

Zo is gaandeweg de pers de controleur van de regering geworden. Maar de regering zit niet te wachten op controleurs, die wil managen. Zij weet zelf wel wat goed is voor het land. Is het gek dat de pers de politiek wantrouwt, en de politiek de pers?

Jaap van 't Hek, 29 oktober 2004