Over de taaiheid van sekseverschillen
Prof. dr. Christien Brinkgreve
Hoogleraar Sociale Wetenschappen Universiteit Utrecht
Ooit dachten we en hoopten we dat mannen en vrouwen gelijk waren, en dat ging verder dan gelijke rechten, gelijke kansen en gelijke waardering (beloning). Het ging ook om gelijkheid in eigenschappen en vermogens. De verschillen die duidelijk bestonden en eeuwenlang waren benadrukt en gecultiveerd, werden wegverklaard door te verwijzen naar de invloed van de cultuur, van de machtsverhoudingen, van de manier waarop mensen werden grootgebracht; van de ‘seksespecifieke rolsocialisatie' zoals dat in de jaren zeventig werd genoemd. Aandacht voor verschillen was verdacht, omdat dat al gauw als legitimering kon gelden van maatschappelijke ongelijkheid. Vrouwen konden net zoveel als mannen, en ze waren net zo goed. In onze postagrarische en postindustriële samenleving was lichaamskracht immers geen belangrijke machtsbron meer, dus die bron van mannelijk overwicht had ook zijn kracht en bestaansrecht verloren.
Voor het bereiken van seksegelijkheid is veel in het werk gesteld: scenario's werden geschreven, waarin een gelijke verdeling van werk en zorg werd uitgewerkt, blauwdrukken werden ontworpen met streefquota voor een meer gelijke verdeling van functies en posities op het werk, reclamecampagnes werden ingezet om mensen mentaal te bewerken om dit te willen en te proberen.
Maar er blijkt een aantal hardnekkigheden. Gelijkelijk delen van arbeid en zorg is bijvoorbeeld door velen als ideaal omarmd, maar de praktijk blijkt weerbarstiger. Er zijn steeds goede redenen waarom mannen die fulltime baan blijven houden en vrouwen een stapje terug doen op het werk om meer tijd te hebben voor de kinderen: mannen verdienen meestal meer, en vrouwen zijn nu eenmaal handiger met de kinderen.
Gelijke posities op het werk is ook zo'n streven. Formele barrières die vrouwen achterstelden zijn inmiddels opgeheven, het wordt als modern en progressief gezien om ook vrouwen aan de top te hebben. Maar deze breken slechts met grote moeite door het glazen plafond, en eenmaal doorgebroken tuimelen ze vaak snel weer naar beneden. ‘Ze pasten toch niet goed in het team', of ‘ze was niet professioneel genoeg' – de definitiemacht bleef in handen van mannen. Of binnengehaald omdat emoties belangrijk worden gevonden, blijken het de verkeerde emoties te zijn: die op zwakte duiden en niet op kracht, wat ze in het bedrijf juist zo nodig hebben.
Gepoogd is de wortel van het kwaad der ongelijkheid aan te pakken door kinderen van meet af aan sekseneutraal op te voeden, en ze zelfs een beetje naar de andere kant om te buigen. Maar al kregen jongetjes poppen om mee te spelen en meisjes autootjes en zwaarden, het beklijfde niet. Hun gedrag en voorkeur bleef zich richten naar de oude patronen.
Een deel van de verklaring kan gezocht worden in de evolutiepsychologie: de biologische uitrusting van mannen en vrouwen is verschillend (lichaamsbouw, hormoonhuishouding, hersenstructuur), en deze verschillen zijn in de loop van de mensheidsgeschiedenis verder uitgekristalliseerd, in reactie op de fysieke en sociale omgeving waarin mensen verkeerden.
Veranderingen in machtsverhoudingen en cultuur kunnen onmiskenbaar zorgen voor veranderingen in gedrag en gevoel, kunnen de sekseverschillen hierin uitvergroten of kleiner maken. De emancipatie heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat veel vrouwen buitenshuis werken en carrièreambities hebben, ook als ze kinderen hebben. Maar wat blijft is een verschil in voorkeuren: mannen zijn gemiddeld werk- en carrièregerichter, vrouwen meer huis- en gezinsgericht. Dat betekent niet dat het niet andersom kan, het miskent ook niet dat hierin vele variaties bestaan, maar er blijft een taai sekseverschil, gemiddeld gezien, in gerichtheid, vooral als er kinderen in het spel zijn. Ook als de arrangementen om ook met kinderen fulltime te blijven werken goed zijn (goede kinderopvang, ruime verlofregelingen, zoals bijvoorbeeld in Scandinavische landen), toch behouden veel vrouwen een voorkeur, in sterkere mate dan mannen, om voor een deel zelf voor hun kinderen te zorgen.
Sekseverschillen blijken, een aantal decennia verder, hardnekkiger dan gedacht. Verschillen die ook voor organisaties belangrijk zijn. Bij dreiging van gevaar zijn de reflexen anders: vrouwen zoeken hun veiligheid in goede relaties met anderen, mannen vechten meer terug. Mannen zijn gevoeliger voor egobeschadiging, voor verlies van rang en positie, vrouwen meer voor verlies van binding, van de betekenis die ze voor anderen hebben en de waardering die ze krijgen. Mannen slaan terug, vrouwen trekken zich terug in veiliger regionen. Mannen voelen zich veilig als ze macht en controle hebben, vrouwen als ze goede relaties hebben met anderen. Vrouwen hebben een groter empathisch vermogen, mannen kunnen beter omgaan met conflicten op het werk en trekken zich dat minder persoonlijk aan. Mannen werken probleemgerichter en zijn meer rigide, vrouwen dubben langer, hebben meer oog voor de context en zijn flexibeler.
Voor organisaties zijn dit belangrijke verschillen, die taai zijn en weerbarstig, en niet gauw zullen verdwijnen met de veranderingen in (organisatie)cultuur en machtsverhoudingen.
Maar cultuur maakt natuurlijk wel verschil: de ruimte en waardering voor verschillende vermogens en kwaliteiten maakt of mensen zich in een werkomgeving kunnen handhaven, tot bloei komen of wegkwijnen. Je kunt dus beter de verschillen honoreren in plaats van mensen te duwen in een geforceerde gelijkheidsmal. Het veranderen van de ongelijkheid van de seksen, zo leert de recente geschiedenis ons, is mogelijk. De positie van vrouwen is ingrijpend veranderd in de laatste decennia. Maar sociale patronen laten zich niet zo veranderen als we willen.