Hun hebbe se eige vergist; over de (on)veranderbaarheid van taal

Prof. dr. Hans Bennis
Bijzonder hoogleraar Taalvariatie Universiteit van Amsterdam en directeur Meertens Instituut

Moet het zijn ‘U hebt betaald' of ‘U heeft betaald'? Is het ‘het is hen ontgaan' of ‘het is hun ontgaan'? De meeste Nederlanders denken dat op deze vragen een antwoord gegeven kan worden. Niet dat ze zelf het antwoord weten, maar ze gaan er vanuit dat een van de beide mogelijkheden correct is. Dat valt tegen. De meest gezaghebbende grammatica van het Nederlands, de Algemene Nederlandse Spraakkunst of kortweg ANS, geeft geen uitsluitsel en vindt beide mogelijkheden acceptabel, en ook elders is geen ondubbelzinnig antwoord te verkrijgen.

Hier komt een misverstand over taal naar boven. Men neemt veelal aan dat taal een vastliggend systeem van afspraken betreft en dat grammatica een cultureel product is dat wij op school leren. Vanuit een wetenschappelijk perspectief zijn deze standpunten ondeugdelijk. Taal is deel van een mentaal systeem, onze cognitie, en dit systeem ontwikkelt zich voortdurend, zonder dat wij daar veel invloed op kunnen uitoefenen. De grammatica van een taal is datgene wat een kind in zijn eerste jaren spontaan verwerft en dat hem in staat stelt zijn moedertaal te spreken. Daarmee is taalverandering een natuurlijk gegeven. We zouden misschien wel invloed willen hebben, want dan zouden we bijvoorbeeld ‘hun hebben gelijk' kunnen weren uit onze taal. ‘Hun hebben ..' wordt algemeen beschouwd als lelijk, slordig, fout en strijdig met de grammatica. Gebruik van hun in de eerste naamval geeft aanleiding tot boosheid en ontevredenheid, maar of dat verzet effect heeft, is nog maar de vraag. Dergelijke boosheid is van alle tijden. De schrijver Jacob van Lennep schreef in 1865 in ‘Klaasje Zevenster': ‘U in den eersten naamval is zondigen tegen de Nederduitschen Spraakkunst'. Hij wond zich op over verderfelijke, nieuwerwetse zinnen als ‘U zondigt'. Niet dat de Nederduitschen spraakkunst zich toentertijd uitliet over U in den eersten naamval, maar net als bij hun hebben beschouwt de gemiddelde taalgebruiker het bestaande als goed en verandering als een aantasting van het goede, en dus als verloedering. Ondanks zijn verzet heeft Van Lennep de strijd roemloos verloren.

Aardig is het geval van hun en hen . In 1625 werd het voor het Nederlands kunstmatige verschil tussen deze twee voornaamwoorden geïntroduceerd door de grammaticus Christiaen van Heule, al snel nagevolgd door schrijvers als Vondel en Hooft (Van der Sijs, 2004). P.C. Hooft wilde ook nog graag een corresponderend onderscheid tussen hum en hem , maar dat heeft het nooit gehaald. We zijn nu bijna vierhonderd jaar verder, en nog steeds is vrijwel iedereen in verwarring over de ‘juiste' vorm. Is het hen of hun ? Het lijkt er dus op dat onnatuurlijke, door taalmanagers bedachte veranderingen slechts een beperkte kans hebben om te slagen. Het zou interessant zijn om te zien wat er zou gebeuren als de hedendaagse taalmanagers zouden voorstellen om deze goeddeels mislukte taalverandering uit 1625 te herroepen. Ongetwijfeld is dan het geklaag over de taalkundige verloederaars niet van de lucht, en of het zou lukken is nog maar de vraag. Voorlopig modderen we voort met hen of hun.

Daartegenover staat dat natuurlijke taalveranderingen heel vaak zonder probleem hun beslag krijgen. Een mooi voorbeeld betreft de ontwikkeling van de vervoeging van enkelvoudige hulpwerkwoorden. In de meest formele standaardtaal is de tweede persoon enkelvoud van werkwoorden als kunnen , willen , zullen anders dan de eerste en de derde persoon enkelvoud: je kunt vs ik/hij kan, je wilt vs ik/hij wil, en je zult vs ik/hij zal. We nemen echter waar dat zonder al te veel tegenstand je kan, je wil en je zal de taal zijn binnengeslopen. De ANS betitelde deze vormen in de eerste druk (1984) nog als ‘<spreektaal>‘, en in de tweede (1997) reeds als ‘<informeel>‘. Deze taalverandering is binnen korte tijd wijd en zijd geaccepteerd en wordt aangetroffen in literair werk en de kwaliteitskrant. Er is geen enkele instantie bij betrokken geweest. Geen taalmanager heeft het gepropageerd en er is nooit serieus tegen geprotesteerd. Deze verandering komt ook niet voor in het rijtje ‘taalergernissen' dat regelmatig wordt afgedrukt en besproken in het tijdschrift Onze Taal – op nummer 1 en 2 staan begin 2007 de verwarring tussen kennen en kunnen , en op nummer 3 – u raadt het al ­– hun als onderwerp.

Interessant genoeg lijkt het hulpwerkwoord hebben aan deze ontwikkeling mee te willen doen, want in de spreektaal horen we steeds vaker jij heb en hij heb . Vanuit taalkundig oogpunt een zinvolle verandering, want de overbodige onregelmatigheid in het paradigma van hebben wordt vervangen door een heldere systematiek. Maar of deze verandering net zo makkelijk wordt geaccepteerd als de verandering van jij zult naar jij zal valt nog te bezien. Voorlopig verwacht ik nog niet de mededeling ‘U heb betaald' op het schermpje bij de kassa bij Albert Heijn. Eerder verwacht ik dat hij heb de top tien van taalergernissen gaat binnendringen. Waarom de verandering van jij zult naar jij zal minder erg is dan de verandering van hij heeft naar hij heb is taalkundig niet gemakkelijk te verklaren. In beide gevallen gaat het er om dat een onregelmatig paradigma gefatsoeneerd wordt.

Een ander geval waarin een taalverandering zich aankondigt, betreft de verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden. Het huidige Nederlands kent het merkwaardige systeem dat attributieve adjectieven (bijvoeglijke naamwoorden die deel uitmaken van een zelfstandignaamwoordgroep) op – e uitgaan, behalve als tegelijkertijd geldt dat het zelfstandignaamwoord onzijdig is en de woordgroep onbepaald en enkelvoudig is. Vergelijk een mooi huis met een mooiE woning, het mooiE huis en mooiE huizen . Dit buigingsverschijnsel is een restant van een ouder systeem dat in onbruik is geraakt. Kinderen leren deze blinde darm van de grammatica met moeite, maar uiteindelijk beheersen ze het foutloos. Het probleem zit hem in de export van ons taalsysteem. Mensen die Nederlands op latere leeftijd leren, houden vrijwel altijd moeite met dit nutteloze en complexe buigingssysteem, en maken dus fouten als een mooie huis . Het ligt voor de hand dat taalevolutie uiteindelijk het pleit beslecht in het voordeel van het veel betere systeem dat attributieve adjectieven altijd een –e hebben als uitgang ( het/een mooie huis ) en predikatieve niet ( het/een huis is mooi ). Maar ook hier zal er nog wel enige tijd overheen gaan voordat een mooie huis als goed Nederlands wordt geaccepteerd.

Uit het bovenstaande kunnen we opmaken dat de samenleving zich verzet tegen taalverandering, dat bedachte taalveranderingen weinig kans van slagen hebben, maar dat natuurlijke taalveranderingen zich uiteindelijk maar moeilijk laten tegenhouden. Toch is het niet zo dat ingrijpen van taalmanagers altijd een negatief effect heeft. Een boeiend geval betreft de opkomst van het wederkerende voornaamwoord in de 16e/17e eeuw. In de Middeleeuwen zei men ‘hi wast him', ook als hi niet een ander, maar zichzelf wast. Rond 1600 was er een snelle opkomst van het wederkerend voornaamwoord. Het Nederlandstalige gebied viel daarbij grofweg in drie groepen uiteen. Het oosten nam van het Hoogduits zich(zelf) over, Friesland en Vlaanderen kozen, net als het Engels, voor hemzelf , en het midden en westen van het land ontwikkelden een eigen variant, zijn eigen. Recent onderzoek laat zien dat deze drie varianten tot op de dag van vandaag in de dialecten bewaard zijn gebleven (Barbiers et al, 2005).

Na de val van Antwerpen in 1585 was Holland het dominante gebied in De Nederlanden. De Hollandse taalvariëteit leverde dan ook verreweg de grootste bijdrage aan de standaardtaal die in deze periode werd ontwikkeld, vooral in het kader van de vertaling van de bijbel in het Nederlands. Op niet geheel duidelijke gronden kozen de taalmanagers uit die tijd voor het uit het Duits afkomstige zich(zelf) als vorm voor de standaardtaal, in plaats van het Hollands/Brabantse zijn eigen . Deze keuze van de grammatici houdt zonder veel moeite stand in het huidige Standaard-Nederlands, terwijl het oorspronkelijke zijn eigen of se eige wordt gezien als een verloederde vorm van sprekers die de grammatica van hun taal onvoldoende beheersen.

Het lijkt er dus op dat er wel degelijk ruimte is voor bewust ingrijpen in de taalorganisatie. Tegenhouden van natuurlijke veranderingsprocessen heeft weinig kans van slagen, zo goed als het ontwerpen van verandering op de tekentafel gedoemd is te mislukken, maar als er een keuze gemaakt moet worden uit bestaande, natuurlijke varianten, dan is ingrijpen mogelijk. Het geeft aan dat bescheidenheid de taalmanager het meest succes oplevert. In hoeverre dit een parabel is voor het management van niet-talige organisaties, laat ik graag aan de lezer over.

Verwijzingen

ANS (1984/1997). W. Haeseryn et al. Algemene Nederlandse Spraakkunst . Groningen: Martinus Nijhoff.

Barbiers, S, H. Bennis , G. de Vogelaer, M. Devos & M. van der Ham (2005). Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten; SAND . Amsterdam University Press. Deel 1.

Van der Sijs, N. (2004). Taal als mensenwerk; Het ontstaan van het ABN . Den Haag: SDU.