Van oude mensen en de dingen die maar langzaam veranderen

Drs. Saskia van Dockum , directeur Het Utrechts Archief

Archeologen maken verhalen over het verleden op basis van puzzelstukken. Ze weten dat ze niet alle stukken hebben, en dat de puzzel nooit compleet zal zijn. Soms achterhalen ze door gedetailleerd onderzoek ontzettend veel op de ‘vierkante millimeter'. Denk bijvoorbeeld aan het onderzoek naar een 25 meter lang schip dat in 2003 in de vinexwijk Leidsche Rijn (Utrecht) gevonden is. De onderzoekers noemen het schip ‘een schatkamer vol met informatie'. Het hout vertelt vrij nauwkeurig in welk jaar de drie eikenbomen waarvan het schip gemaakt is, zijn gekapt (rond 148 na Chr.), dat de bomen niet uit hetzelfde bos kwamen en dat ze oorspronkelijk meer dan 40 meter lang waren. De vondst van het schip leverde verder een schat aan informatie op over scheepsbouw en het leven aan boord.

Behalve dat de puzzel niet compleet is, verandert het beeld waarvan stukjes gezocht worden in de loop van de tijd. Dit is mooi gevisualiseerd in ‘ A street through time ', een kinderboek waarin de geschiedenis van een straat wordt verbeeld aan de hand van veertien prachtige, elkaar in de tijd opvolgende platen waarin steeds hetzelfde stuk landschap wordt getoond. Het boek illustreert dat het verhaal van de geschiedenis gedreven wordt door continuïteit èn verandering. Op de eerste plaat van het boek wordt het landschap getoond ver voor het begin van de jaartelling. Eindeloze bossen en een kleine stam die haar tenten van huiden aan de oevers van een rivier heeft opgeslagen. Die stam woont daar niet permanent, maar trekt rond. Om in de behoeften te voorzien jaagde de stam op wild en verzamelde allerhande ander voedsel zoals zaden en vruchten. De mensen en hun huishoudens waren zeer mobiel en verplaatsten zich ‘achter het voedsel aan'. Dat moet, zeker in onze ogen, heel wat inspanning gekost hebben. Het leefgebied was omvangrijk.
Op de tweede plaat is het bos voor een belangrijk gedeelte gekapt om plaats te maken voor akkertjes en grasland waarop schapen worden geweid. Op dezelfde plek aan de oevers van de rivier waar de tenten stonden, is nu een dorpje gebouwd met een omheining eromheen om ongenode gasten en wilde dieren buiten te houden.

Vanuit ons huidige perspectief van vooruitgang zou je verwachten dat een dergelijke verandering snel zou zijn gegaan, omdat we aannemen dat mensen, als natuurlijke omstandigheden en kennis van zaken dat toelaten, een fysiek zwaar bestaan liever achter zich laten. Archeologisch onderzoek heeft echter aangetoond dat wanneer jager-verzamelaars rechtstreekse contacten krijgen met agrarische gemeenschappen die op één plaats blijven, ze toch maar heel geleidelijk die leefwijze overnemen. En dat is een understatement, in West-Nederland duurde de overgang een heel millennium! Maar als je je verplaatst in de gedachten van een jager in de steentijd dan is zo'n verandering niet makkelijk. Een houten huis geeft een gevoel van continuïteit, maar is juist ook een grote verandering. In plaats van meebewegen met de seizoenen en volgen van het rondtrekkende wild blijf je op een plek en probeer je de seizoenen naar je hand te zetten. En wat moet je dan als een oogst mislukt?
Achteraf gezien is er na de definitieve omslag van jager-verzamelen naar een agrarisch bestaan, in de geschiedenis van de mensheid niet meer zo'n ingrijpende revolutie geweest. Je zou graag de discussies in de stammen van toen meegemaakt hebben.

Archeologie is een prachtig vak, het beschrijft veranderingen. Bijvoorbeeld in materiaalgebruik (denk aan STEEN tijd of IJZER tijd ), in de versiering van aardewerk, in de plattegronden van huizen en in de wijze waarop men met zijn doden omging. Op basis van die veranderingen proberen we het gedrag van mensen te beschrijven en het liefst te verklaren. Daarbij moeten we voortdurend beseffen dat we kijken door onze eigen bril, vanuit ons eigen perspectief, vanuit het hier en nu, vanuit wat we zelf zouden doen of logisch vinden. Of uit wat aanpalende terreinen zoals de culturele antropologie ons leren over het gedrag van mensen.

Eén van de meest tot onze verbeelding sprekende archeologische perioden is de Romeinse tijd. Ook dat was een turbulente tijd waarbij de bewoners van de Lage Landen na een periode van relatief langzame en continue ontwikkeling opeens in aanraking kwamen met een ‘echte' beschaving uit het mediterrane gebied. De Romeinen veroverden een groot stuk van Nederland en bezetten het hele gebied ten zuiden van de Rijn. Eigenlijk hadden ze ook het noorden wel aan hun grondgebied willen toevoegen, maar toen dat moeizaam bleek keerden ze terug op hun schreden. Keizer Claudius besloot in de eerste eeuw na Chr. zich definitief te verschansen achter een goed beveiligde Rijn-zone. Niet onverstandig: het noorden had in economisch opzicht niet al te veel te bieden en wat er wel was, werd door handel verkregen.

De Romeinen zouden uiteindelijk minstens drie eeuwen blijven. Dat is zo'n vijftien generaties. Tienduizenden soldaten bezetten diverse forten en wachtposten langs de grens. Er verrezen in het achterland villa's met fraaie galerijen (porticus), ramen met vensterglas, vloer- en muurverwarming, schilderingen op de muur. Er werden badhuizen naar mediterraan voorbeeld aangelegd, een nieuwigheid met koude en warme (stoom)baden. En ook de potten en pannen laten zien dat zuidelijke gebruiken werden overgenomen. Neem bijvoorbeeld de zogenaamde wrijfschaal: schalen met op de bodem ingebakken grove steentjes die gebruikt werden als een soort vijzel waarin kruiden werden fijngewreven, waarna olie kon worden toegevoegd voor een smakelijke saus. Die kruiden, bijvoorbeeld dille en koriander, waren ook een noviteit. En wat te denken van een goede kipkluif: ook die werd door de Romeinen in onze regionen geïntroduceerd. Op het gebied van de landbouw zien we forse schaalvergroting van de akkers en werden foktechnieken geïntroduceerd die leiden tot grotere runderen.

Door die eeuwen heen gebruikten de Romeinen verschillende methoden om ons land te besturen. Ze verplaatsen bevriende stammen naar nog te veroveren gebieden en sloten gunstige overeenkomsten met hen. Te beginnen met de als dapperste en moedigste bekendstaande stam, de Bataven. De voordelen voor beide zijden waren evident. De Romeinen kregen er uitstekende vechtjassen bij die een voor hen onbekend en moeilijk toegankelijk gebied controleerden, en de Bataven kregen legio privileges. Zij werden officiële bondgenoten waardoor ze vrij van belastingplicht waren en zij streden in hulptroepen op diverse fronten zij aan zij met de Romeinse legioenen. Eén van hun meest eervolle taken was wel dat zij mochten toetreden tot de persoonlijke lijfwacht van de keizer.
Toch bleek na verloop van tijd deze methode van besturen niet optimaal. Het opereren van de Romeinen op diverse fronten riep bij de Bataven weerstand op en zij kwamen om verschillende redenen in 69 na Chr. massaal in opstand. Ze hadden eerst meebewogen en daarvan ook zelf ten volle geprofiteerd, maar hadden kennelijk het nieuwe bestuur niet helemaal geaccepteerd. Het lukte ze dan, volledig tegen de verwachting van de Romeinen in, om ook de andere stammen in onze streken snel aan hun zijde te krijgen. Aanvankelijk waren ze zeer succesvol. Ze kenden het gebied en hun bewoners op hun duimpje. In korte tijd werden vrijwel alle legerplaatsen, symbolen van de vijandelijke overheersing, langs de Rijn platgebrand, inclusief een grote Romeinse stad als Nijmegen.

Een ander voorbeeld uit dezelfde tijd toont een meer genuanceerde, bijna tolerante vorm van besturen. Dat de Romeinen de eerste eeuwen na het begin van de jaartelling heer en meester in het gebied ten zuiden van de Rijn waren, bleek net al betrekkelijk. De bevolking moest zich richten naar de nieuwe overheerser, maar men deed dat zeker de eerste decennia niet van harte en met behoud van de eigen culturele waarden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de lokale bevolking eigen goden met gemak voorzag van een Romeins sausje, maar onder dat vernis de eigen godenwereld mede liet voortbestaan. Een mooi voorbeeld daarvan is de god Magusanus Hercules, waarvan diverse altaren gevonden zijn. Enerzijds een èchte Romeinse (halfgod) Hercules, anderzijds voorzien van alle kenmerken van de Bataafse oppergod Magusanus. Magusanus Hercules was niet de enige samentrekking, ook de oorlogsgod Mars had een locale tegenpool met wie hij assimileerde tot Mars Halamarthus, en we kennen ook Mercurius Arvernus. Door Romeinse geschiedschrijvers worden deze assimilaties interpretatio romana genoemd. Overigens dulden de Romeinen ook de verering van zuiver inheemse goden zoals Nehalennia, zolang men de Romeinse goden maar erkende.

Verstandige bazen die Romeinen?! Want ondertussen lukte het hen wel, in ieder geval voor een periode van zo'n tweehonderd jaar, om een stabiele economie tot stand te brengen.
Na die tijd verdwijnen gaandeweg veel verworvenheden uit de eerste eeuwen van de jaartelling, zoals de villa's en badhuizen, de muurschilderingen, de vloerverwarming en de godenwereld. Maar er blijkt ook continuïteit te bestaan, bijvoorbeeld in het belang van een plaats. In de vroege Middeleeuwen ontstond er een nieuw machtscentrum rond Romeins Nijmegen. En ook Utrecht heeft als bisschopsstad haar oorsprong in een Romeins fort. De bisschopszetel zou 800 jaar in Utrecht te vinden zijn. En de kip had zich in ieder geval definitief in Nederland gevestigd!